BWBR0041278
Geldig vanaf 2024-01-01
Artikel 3.5
Omgevingsbesluit
1. Het beperkingengebied met betrekking tot hoofdspoorweginfrastructuur bestaat uit de hoofdspoorweg en het daaromheen gelegen gebied, begrensd door een lijn liggend op een afstand van:
a. bij een hoofdspoorweg op maaiveldniveau: 11 m, gemeten vanaf het hart van het buitenste spoor, zijnde een denkbeeldige lijn in de lengterichting van het spoor midden tussen beide spoorstaven;
b. bij een hoofdspoorweg in ingraving: 6 m, gemeten uit de bovenzijde van de ingraving;
c. bij een hoofdspoorweg in ophoging: 6 m, gemeten uit de teen van het talud;
d. bij een hoofdspoorweg in een tunnel: 30 m, gemeten vanaf de buitenste wand van de tunnel; of
e. bij een hoofdspoorweg op een brug of op een viaduct: 30 m, gemeten vanaf de buitenste rand van de constructie.
2. Als een deel van de hoofdspoorweg alleen is bestemd voor goederenvervoer voor de lokale ontsluiting van haven- en industriegebieden, bestaat het beperkingengebied, in afwijking van het eerste lid, uit dat deel van de hoofdspoorweg en het daaromheen gelegen gebied, begrensd door een lijn liggend op een afstand van 3 m op maaiveldniveau, gemeten vanaf het hart van het buitenste spoor.
a. bij een hoofdspoorweg op maaiveldniveau: 11 m, gemeten vanaf het hart van het buitenste spoor, zijnde een denkbeeldige lijn in de lengterichting van het spoor midden tussen beide spoorstaven;
b. bij een hoofdspoorweg in ingraving: 6 m, gemeten uit de bovenzijde van de ingraving;
c. bij een hoofdspoorweg in ophoging: 6 m, gemeten uit de teen van het talud;
d. bij een hoofdspoorweg in een tunnel: 30 m, gemeten vanaf de buitenste wand van de tunnel; of
e. bij een hoofdspoorweg op een brug of op een viaduct: 30 m, gemeten vanaf de buitenste rand van de constructie.
2. Als een deel van de hoofdspoorweg alleen is bestemd voor goederenvervoer voor de lokale ontsluiting van haven- en industriegebieden, bestaat het beperkingengebied, in afwijking van het eerste lid, uit dat deel van de hoofdspoorweg en het daaromheen gelegen gebied, begrensd door een lijn liggend op een afstand van 3 m op maaiveldniveau, gemeten vanaf het hart van het buitenste spoor.