BWBR0020764
Geldig vanaf 20-12-2007
Artikel 3:82
Regeling solvabiliteitseisen kredietrisico en grote posities Wft 2010
1. Onverminderd de artikelen 3:76 tot en met 3:78 gelden voor ramingen van omrekeningsfactoren tevens de bepalingen van dit artikel.
2. Een financiële onderneming raamt de omrekeningsfactoren per faciliteitsklasse of -groep op basis van de gemiddelde verwachte omrekeningsfactoren per faciliteitsklasse of groep en maakt daarbij gebruik van alle in de gegevensbronnen waargenomen gevallen van wanbetaling: het naar wanbetalingsgraad gewogen gemiddelde.
3. De financiële onderneming maakt gebruik van ramingen van omrekeningsfactoren die passend zijn voor een economische neergang indien deze conservatiever zijn dan het gemiddelde over een lange periode. Indien wordt verwacht dat een ratingsysteem gerealiseerde omrekeningsfactoren per klasse of groep oplevert die constant zijn in de tijd, past de financiële onderneming haar ramingen van de risicoparameters per klasse of groep aan om het effect van een economische neergang op de solvabiliteit te beperken.
4. In de door de financiële onderneming geraamde omrekeningsfactoren wordt rekening gehouden met de mogelijkheid dat de debiteur nog opnemingen verricht tot, en na, het plaatsvinden van een gebeurtenis die tot wanbetaling leidt. In de raming van de omrekeningsfactor wordt een grotere voorzichtigheidsmarge ingebouwd wanneer er redelijkerwijs een sterkere positieve correlatie kan worden verwacht tussen de wanbetalingsfrequentie en de waarde van de omrekeningsfactor.
5. Bij de raming van omrekeningsfactoren houdt de financiële onderneming rekening met haar specifieke gedragslijnen en strategieën voor het rekeningenbeheer en de betalingsverwerking. De financiële onderneming houdt ook rekening met haar vermogen en bereidheid om verdere opnemingen te voorkomen in situaties waarin bijna sprake is van wanbetaling, zoals inbreuken op overeenkomsten of andere gebeurtenissen waardoor technisch gesproken wanbetaling ontstaat.
6. De financiële onderneming beschikt over adequate systemen en procedures om de bedragen van de faciliteiten, de actuele uitstaande bedragen uit hoofde van gecommitteerde kredietlijnen en wijzigingen in uitstaande bedragen per debiteur en per klasse te controleren. De financiële onderneming is in staat de uitstaande saldi dagelijks te controleren.
7. In afwijking van het vierde lid, kan de financiële onderneming voor vorderingen die zijn ondergebracht in de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit toekomstige opnemingen ofwel in haar LGD-ramingen, ofwel in haar omrekeningsfactor verwerken.
8. De ramingen van de omrekeningsfactor van vorderingen die zijn ondergebracht in de categorieën genoemd artikel 71, eerste lid, onderdelen a tot en met c, van het Besluit zijn gebaseerd op gegevens die voor ten minste één bron betrekking hebben op een periode van minimum vijf jaar, die jaarlijks na de implementatie met één jaar wordt verhoogd tot een minimum van zeven jaar is bereikt. Indien de waarnemingsperiode voor één van de bronnen een langere periode omspant en deze gegevens relevant zijn, dan wordt van deze langere periode gebruik gemaakt.
9. De ramingen van de omrekeningsfactoren voor vorderingen die zijn ondergebracht in de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit zijn gebaseerd op gegevens over een periode van ten minste vijf jaar. De financiële onderneming hoeft geen even groot belang te hechten aan historische gegevens indien zij kan aantonen dat recentere gegevens een betere voorspeller zijn van de verliespercentages. De financiële onderneming waarborgt dat zij bij de invoering van de IRB over relevante gegevens beschikt die een periode van minimaal twee jaar bestrijken. De te bestrijken periode neemt elk jaar met een jaar toe totdat de relevante gegevens een periode van vijf jaar bestrijken.
2. Een financiële onderneming raamt de omrekeningsfactoren per faciliteitsklasse of -groep op basis van de gemiddelde verwachte omrekeningsfactoren per faciliteitsklasse of groep en maakt daarbij gebruik van alle in de gegevensbronnen waargenomen gevallen van wanbetaling: het naar wanbetalingsgraad gewogen gemiddelde.
3. De financiële onderneming maakt gebruik van ramingen van omrekeningsfactoren die passend zijn voor een economische neergang indien deze conservatiever zijn dan het gemiddelde over een lange periode. Indien wordt verwacht dat een ratingsysteem gerealiseerde omrekeningsfactoren per klasse of groep oplevert die constant zijn in de tijd, past de financiële onderneming haar ramingen van de risicoparameters per klasse of groep aan om het effect van een economische neergang op de solvabiliteit te beperken.
4. In de door de financiële onderneming geraamde omrekeningsfactoren wordt rekening gehouden met de mogelijkheid dat de debiteur nog opnemingen verricht tot, en na, het plaatsvinden van een gebeurtenis die tot wanbetaling leidt. In de raming van de omrekeningsfactor wordt een grotere voorzichtigheidsmarge ingebouwd wanneer er redelijkerwijs een sterkere positieve correlatie kan worden verwacht tussen de wanbetalingsfrequentie en de waarde van de omrekeningsfactor.
5. Bij de raming van omrekeningsfactoren houdt de financiële onderneming rekening met haar specifieke gedragslijnen en strategieën voor het rekeningenbeheer en de betalingsverwerking. De financiële onderneming houdt ook rekening met haar vermogen en bereidheid om verdere opnemingen te voorkomen in situaties waarin bijna sprake is van wanbetaling, zoals inbreuken op overeenkomsten of andere gebeurtenissen waardoor technisch gesproken wanbetaling ontstaat.
6. De financiële onderneming beschikt over adequate systemen en procedures om de bedragen van de faciliteiten, de actuele uitstaande bedragen uit hoofde van gecommitteerde kredietlijnen en wijzigingen in uitstaande bedragen per debiteur en per klasse te controleren. De financiële onderneming is in staat de uitstaande saldi dagelijks te controleren.
7. In afwijking van het vierde lid, kan de financiële onderneming voor vorderingen die zijn ondergebracht in de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit toekomstige opnemingen ofwel in haar LGD-ramingen, ofwel in haar omrekeningsfactor verwerken.
8. De ramingen van de omrekeningsfactor van vorderingen die zijn ondergebracht in de categorieën genoemd artikel 71, eerste lid, onderdelen a tot en met c, van het Besluit zijn gebaseerd op gegevens die voor ten minste één bron betrekking hebben op een periode van minimum vijf jaar, die jaarlijks na de implementatie met één jaar wordt verhoogd tot een minimum van zeven jaar is bereikt. Indien de waarnemingsperiode voor één van de bronnen een langere periode omspant en deze gegevens relevant zijn, dan wordt van deze langere periode gebruik gemaakt.
9. De ramingen van de omrekeningsfactoren voor vorderingen die zijn ondergebracht in de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit zijn gebaseerd op gegevens over een periode van ten minste vijf jaar. De financiële onderneming hoeft geen even groot belang te hechten aan historische gegevens indien zij kan aantonen dat recentere gegevens een betere voorspeller zijn van de verliespercentages. De financiële onderneming waarborgt dat zij bij de invoering van de IRB over relevante gegevens beschikt die een periode van minimaal twee jaar bestrijken. De te bestrijken periode neemt elk jaar met een jaar toe totdat de relevante gegevens een periode van vijf jaar bestrijken.
- Citeren als
- Art. 3:82
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0020764
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl