BWBR0020764
Geldig vanaf 01-01-2007
Artikel 3:83
Regeling solvabiliteitseisen kredietrisico en grote posities Wft 2010
1. Een financiële onderneming hanteert welomschreven criteria voor de categorieën garantiegevers die zij in aanmerking neemt bij de berekening van risicogewogen posten.
2. Op in aanmerking genomen garantiegevers als bedoeld in het eerste lid zijn de artikelen 3:69, 3:71 en 3:72 van overeenkomstige toepassing.
3. Van een garantie is sprake indien de garantie:
a. schriftelijk is bevestigd;
b. niet opzegbaar is door de garantiegever;
c. van kracht is tot de verplichting volledig is nagekomen rekening houdend met het bedrag en de geldigheidsduur van de garantie, en
d. juridisch afdwingbaar is jegens de garantiegever in een rechtsgebied waar de garantiegever activa bezit om in beslag te nemen en een beslissing ten uitvoer te leggen.
4. In afwijking van het derde lid, onderdeel d, kunnen ook garanties waarbij er sprake is van voorwaarden waaronder de garantiegever niet kan worden verplicht zijn verbintenis na te komen (voorwaardelijke garanties), in aanmerking worden genomen. De financiële onderneming toont aan dat in de onderbrengingscriteria voldoende rekening is gehouden met elke potentiële vermindering van het risicoverminderende effect.
5. De financiële onderneming hanteert duidelijk gespecificeerde criteria voor de aanpassing van klassen, groepen of LGD-ramingen en, in het geval van garanties ter dekking van vorderingen die zijn ondergebracht in de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit voor de aanpassing van de procedure voor de onderbrenging van vorderingen in klassen of groepen, teneinde recht te doen aan de gevolgen van garanties voor de berekening van risicogewogen activa. Deze criteria voldoen aan de minimumvereisten van de artikelen 3:69, 3:71 en 3:72.
6. De criteria zijn aannemelijk en intuïtief en hebben betrekking op:
a. het vermogen en de bereidheid van de garantiegever om zijn verplichtingen uit hoofde van de garantie na te komen;
b. het vermoedelijke tijdschema van eventuele betalingen van de garantiegever;
c. de mate waarin het vermogen van de garantiegever om zijn verplichtingen uit hoofde van de garantie na te komen samenhangt met het vermogen van de debiteur om terug te betalen; en
d. de mate waarin er enig restrisico ten aanzien van de debiteur blijft bestaan.
7. De in deze afdeling gestelde minimumvereisten voor garanties gelden ook voor single-name kredietderivaten. Ingeval er sprake is van een verschil tussen de onderliggende verplichting en de referentieverplichting van het kredietderivaat of de verplichting waarnaar wordt gekeken om uit te maken of er zich een kredietgebeurtenis heeft voorgedaan, zijn de vereisten van artikel 4:87 van toepassing. In het geval van vorderingen die zijn ondergebracht in de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit is dit lid van overeenkomstige toepassing op de procedure voor de onderbrenging van vorderingen in klassen of groepen.
8. Onverminderd het vierde en vijfde lid, hebben de criteria voor het effect van kredietderivaten betrekking op de uitbetalingsstructuur van het kredietderivaat en voorzien deze in een voorzichtige inschatting van de gevolgen daarvan voor de omvang en het tijdschema van uitwinningen. De financiële onderneming houdt rekening met de mate waarin er andere vormen van restrisico blijven bestaan.
2. Op in aanmerking genomen garantiegevers als bedoeld in het eerste lid zijn de artikelen 3:69, 3:71 en 3:72 van overeenkomstige toepassing.
3. Van een garantie is sprake indien de garantie:
a. schriftelijk is bevestigd;
b. niet opzegbaar is door de garantiegever;
c. van kracht is tot de verplichting volledig is nagekomen rekening houdend met het bedrag en de geldigheidsduur van de garantie, en
d. juridisch afdwingbaar is jegens de garantiegever in een rechtsgebied waar de garantiegever activa bezit om in beslag te nemen en een beslissing ten uitvoer te leggen.
4. In afwijking van het derde lid, onderdeel d, kunnen ook garanties waarbij er sprake is van voorwaarden waaronder de garantiegever niet kan worden verplicht zijn verbintenis na te komen (voorwaardelijke garanties), in aanmerking worden genomen. De financiële onderneming toont aan dat in de onderbrengingscriteria voldoende rekening is gehouden met elke potentiële vermindering van het risicoverminderende effect.
5. De financiële onderneming hanteert duidelijk gespecificeerde criteria voor de aanpassing van klassen, groepen of LGD-ramingen en, in het geval van garanties ter dekking van vorderingen die zijn ondergebracht in de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit voor de aanpassing van de procedure voor de onderbrenging van vorderingen in klassen of groepen, teneinde recht te doen aan de gevolgen van garanties voor de berekening van risicogewogen activa. Deze criteria voldoen aan de minimumvereisten van de artikelen 3:69, 3:71 en 3:72.
6. De criteria zijn aannemelijk en intuïtief en hebben betrekking op:
a. het vermogen en de bereidheid van de garantiegever om zijn verplichtingen uit hoofde van de garantie na te komen;
b. het vermoedelijke tijdschema van eventuele betalingen van de garantiegever;
c. de mate waarin het vermogen van de garantiegever om zijn verplichtingen uit hoofde van de garantie na te komen samenhangt met het vermogen van de debiteur om terug te betalen; en
d. de mate waarin er enig restrisico ten aanzien van de debiteur blijft bestaan.
7. De in deze afdeling gestelde minimumvereisten voor garanties gelden ook voor single-name kredietderivaten. Ingeval er sprake is van een verschil tussen de onderliggende verplichting en de referentieverplichting van het kredietderivaat of de verplichting waarnaar wordt gekeken om uit te maken of er zich een kredietgebeurtenis heeft voorgedaan, zijn de vereisten van artikel 4:87 van toepassing. In het geval van vorderingen die zijn ondergebracht in de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit is dit lid van overeenkomstige toepassing op de procedure voor de onderbrenging van vorderingen in klassen of groepen.
8. Onverminderd het vierde en vijfde lid, hebben de criteria voor het effect van kredietderivaten betrekking op de uitbetalingsstructuur van het kredietderivaat en voorzien deze in een voorzichtige inschatting van de gevolgen daarvan voor de omvang en het tijdschema van uitwinningen. De financiële onderneming houdt rekening met de mate waarin er andere vormen van restrisico blijven bestaan.
- Citeren als
- Art. 3:83
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0020764
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl