BWBR0020764
Geldig vanaf 01-01-2007
Artikel 3:8
Regeling solvabiliteitseisen kredietrisico en grote posities Wft 2010
1. Binnen de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit, wordt onderscheid gemaakt in:
a. door onroerend goed gegarandeerde vorderingen;
b. gekwalificeerde revolverende vorderingen; en
c. overige vorderingen op particulieren of kleine of middelgrote ondernemingen.
2. Vorderingen worden slechts als gekwalificeerde revolverende vorderingen onderscheiden indien:
a. het gaat om posities ten opzichte van particulieren;
b. het gaat om revolverende en niet van zekerheden voorziene posities, welke, voorzover de kredietlijnen niet zijn aangesproken, onmiddellijk en onvoorwaardelijk door de financiële onderneming zijn op te zeggen;
c. de totale vordering op één enkele persoon in de subportefeuille maximaal € 100.000 bedraagt; en
d. het gebruik van een correlatiefactor van 0,04 is beperkt tot portefeuilles die gekenmerkt werden door een lage, bij die correlatiefactor passende, volatiliteit van de verliespercentages in vergelijking met het gemiddelde niveau van hun verliespercentages, vooral in de lage PD-banden.
3. Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel d, beoordeelt de financiële onderneming de volatiliteit van de verliespercentages van zowel alle gekwalificeerde revolverende subportefeuilles afzonderlijk als de geaggregeerde gekwalificeerde revolverende portefeuille en relateert deze volatiliteit aan die van de andere subcategorieën genoemd in het eerste lid.
a. door onroerend goed gegarandeerde vorderingen;
b. gekwalificeerde revolverende vorderingen; en
c. overige vorderingen op particulieren of kleine of middelgrote ondernemingen.
2. Vorderingen worden slechts als gekwalificeerde revolverende vorderingen onderscheiden indien:
a. het gaat om posities ten opzichte van particulieren;
b. het gaat om revolverende en niet van zekerheden voorziene posities, welke, voorzover de kredietlijnen niet zijn aangesproken, onmiddellijk en onvoorwaardelijk door de financiële onderneming zijn op te zeggen;
c. de totale vordering op één enkele persoon in de subportefeuille maximaal € 100.000 bedraagt; en
d. het gebruik van een correlatiefactor van 0,04 is beperkt tot portefeuilles die gekenmerkt werden door een lage, bij die correlatiefactor passende, volatiliteit van de verliespercentages in vergelijking met het gemiddelde niveau van hun verliespercentages, vooral in de lage PD-banden.
3. Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel d, beoordeelt de financiële onderneming de volatiliteit van de verliespercentages van zowel alle gekwalificeerde revolverende subportefeuilles afzonderlijk als de geaggregeerde gekwalificeerde revolverende portefeuille en relateert deze volatiliteit aan die van de andere subcategorieën genoemd in het eerste lid.
- Citeren als
- Art. 3:8
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0020764
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl