BWBR0020764
Geldig vanaf 01-01-2007
Artikel 3:7
Regeling solvabiliteitseisen kredietrisico en grote posities Wft 2010
1. In de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit, worden uitsluitend vorderingen ondergebracht die voldoen aan de volgende voorwaarden:
a. zij hebben betrekking op één of meer natuurlijke personen respectievelijk op een kleine of middelgrote onderneming;
b. zij worden in het interne risicobeheer van de financiële onderneming door de tijd heen gezien consistent en op dezelfde wijze behandeld;
c. zij worden niet op individuele basis beheerd; en
d. zij maken elk deel uit van een groot aantal op gelijke wijze beheerde vorderingen.
2. Indien de vordering betrekking heeft op een kleine of middelgrote onderneming, geldt als aanvullende voorwaarde dat het totale bedrag dat de debiteur of de groep van verbonden debiteuren verschuldigd is aan de financiële onderneming, daaronder begrepen zowel de moederonderneming als haar dochterondernemingen, niet meer dan € 1 miljoen mag bedragen. Het bedrag dat aan deze grens wordt gerelateerd, wordt bepaald met inbegrip van de achterstallige posten, maar exclusief vorderingen gedekt door zekerheden in de vorm van niet-zakelijk onroerend goed. De financiële onderneming spant zich redelijkerwijs in om zich ervan te overtuigen dat aan laatstgenoemde eis is voldaan.
3. In de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit, worden voorts uitsluitend ‘door onroerend goed gegarandeerde vorderingen’ ondergebracht die voldoen aan de volgende voorwaarden:
a. geen van de tegenpartijen bezit meer dan 5 onroerend goed objecten waarop hypotheekleningen zijn verstrekt door de financiële onderneming; en
b. geen van de in het vorige onderdeel genoemde onroerend goed objecten bestaat uit meer dan 5 wooneenheden.
4. In de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit kan tenslotte tevens de contante waarde van de minimale betalingen in verband met consumptieve leasing worden ingedeeld.
a. zij hebben betrekking op één of meer natuurlijke personen respectievelijk op een kleine of middelgrote onderneming;
b. zij worden in het interne risicobeheer van de financiële onderneming door de tijd heen gezien consistent en op dezelfde wijze behandeld;
c. zij worden niet op individuele basis beheerd; en
d. zij maken elk deel uit van een groot aantal op gelijke wijze beheerde vorderingen.
2. Indien de vordering betrekking heeft op een kleine of middelgrote onderneming, geldt als aanvullende voorwaarde dat het totale bedrag dat de debiteur of de groep van verbonden debiteuren verschuldigd is aan de financiële onderneming, daaronder begrepen zowel de moederonderneming als haar dochterondernemingen, niet meer dan € 1 miljoen mag bedragen. Het bedrag dat aan deze grens wordt gerelateerd, wordt bepaald met inbegrip van de achterstallige posten, maar exclusief vorderingen gedekt door zekerheden in de vorm van niet-zakelijk onroerend goed. De financiële onderneming spant zich redelijkerwijs in om zich ervan te overtuigen dat aan laatstgenoemde eis is voldaan.
3. In de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit, worden voorts uitsluitend ‘door onroerend goed gegarandeerde vorderingen’ ondergebracht die voldoen aan de volgende voorwaarden:
a. geen van de tegenpartijen bezit meer dan 5 onroerend goed objecten waarop hypotheekleningen zijn verstrekt door de financiële onderneming; en
b. geen van de in het vorige onderdeel genoemde onroerend goed objecten bestaat uit meer dan 5 wooneenheden.
4. In de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit kan tenslotte tevens de contante waarde van de minimale betalingen in verband met consumptieve leasing worden ingedeeld.
- Citeren als
- Art. 3:7
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0020764
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl