BWBR0020764
Geldig vanaf 01-01-2007
Artikel 3:79
Regeling solvabiliteitseisen kredietrisico en grote posities Wft 2010
1. Onverminderd de artikelen 3:76 tot en met 3:78 gelden voor de PD ramingen voor debiteuren van vorderingen die zijn ondergebracht in de categorieën genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdelen a tot en met c, van het Besluit tevens de bepalingen van dit artikel.
2. Een financiële onderneming raamt de PD per debiteurenklasse op basis van gemiddelden over een lange periode van de jaarlijkse wanbetalingspercentages.
3. Indien de financiële onderneming voor de raming van PD’s gebruik maakt van gegevens over de interne ervaring met wanbetaling, toont zij in haar analyse aan dat in de ramingen de overnemingsnormen en de eventuele verschillen tussen het ratingsysteem dat de gegevens heeft gegenereerd en het huidige ratingsysteem, worden weerspiegeld. Wanneer de overnemingsnormen of de ratingsystemen gewijzigd zijn, telt de financiële onderneming een grotere voorzichtigheidsmarge bij haar PD-raming.
4. Indien de financiële onderneming haar interne klassen relateert of koppelt aan een schaal die door een kredietbeoordelingsbureau of soortgelijke organisaties wordt toegepast en vervolgens de voor de klassen van de externe organisatie waargenomen wanbetalingsgraad toekent aan de door haar gehanteerde klassen zijn de volgende voorwaarden van toepassing:
a. de koppeling wordt gebaseerd op een vergelijking van de interne ratingcriteria met de criteria die door de externe organisatie worden gehanteerd en op een vergelijking van de interne en externe ratings van gewone debiteuren;
b. de criteria van de externe organisatie welke aan de voor de kwantificering gebruikte gegevens ten grondslag liggen, hebben uitsluitend betrekking op het wanbetalingsrisico en houden geen rekening met de transactiekenmerken;
c. in de analyse van de financiële onderneming is een vergelijking van de definities van wanbetaling opgenomen, met inachtneming van de bepalingen van artikel 1 van het Besluit en de artikelen 3:40 en 3:78 van deze regeling; en
d. de financiële onderneming documenteert de grondslag voor de koppeling.
5. Indien een financiële onderneming gebruik maakt van statistische voorspellingsmodellen voor wanbetaling, dan kan zij PD’s ramen als het gewone gemiddelde van de ramingen van de kans op wanbetaling voor individuele debiteuren van een bepaalde klasse. Wanneer de financiële onderneming voor deze doeleinden gebruik maakt van waarschijnlijkheidsmodellen voor wanbetaling, wordt voldaan aan de in artikel 3:70 gespecificeerde normen.
6. Wanneer een financiële onderneming PD-ramingstechnieken toepast, kan dat alleen met ondersteunende analyses, waarbij de financiële onderneming het belang van subjectieve overwegingen betrekt bij het combineren van de resultaten van de toepassing van technieken en bij het aanbrengen van aanpassingen om rekening te houden met de beperkingen waaraan de technieken en de informatie onderhevig zijn.
7. De duur van de gebruikte onderliggende historische waarnemingsperiode is voor ten minste één bron gelijk aan minimum vijf jaar, ongeacht of een financiële onderneming voor haar PD-raming gebruik maakt van externe gegevens, interne gegevens, datapools of een combinatie van deze drie bronnen. Indien de waarnemingsperiode voor één van de bronnen een langere periode omspant en deze gegevens relevant zijn, dan wordt van deze langere periode gebruik gemaakt. Dit is ook van toepassing op de PD/LGD-benadering van aandelen. Een financiële onderneming die de Eenvoudige IRB toepast, waarborgt dat zij bij de invoering van de IRB over relevante gegevens beschikt die een periode van minimaal twee jaar bestrijken. De te bestrijken periode neemt elk jaar met een jaar toe totdat de relevante gegevens een periode van vijf jaar bestrijken.
2. Een financiële onderneming raamt de PD per debiteurenklasse op basis van gemiddelden over een lange periode van de jaarlijkse wanbetalingspercentages.
3. Indien de financiële onderneming voor de raming van PD’s gebruik maakt van gegevens over de interne ervaring met wanbetaling, toont zij in haar analyse aan dat in de ramingen de overnemingsnormen en de eventuele verschillen tussen het ratingsysteem dat de gegevens heeft gegenereerd en het huidige ratingsysteem, worden weerspiegeld. Wanneer de overnemingsnormen of de ratingsystemen gewijzigd zijn, telt de financiële onderneming een grotere voorzichtigheidsmarge bij haar PD-raming.
4. Indien de financiële onderneming haar interne klassen relateert of koppelt aan een schaal die door een kredietbeoordelingsbureau of soortgelijke organisaties wordt toegepast en vervolgens de voor de klassen van de externe organisatie waargenomen wanbetalingsgraad toekent aan de door haar gehanteerde klassen zijn de volgende voorwaarden van toepassing:
a. de koppeling wordt gebaseerd op een vergelijking van de interne ratingcriteria met de criteria die door de externe organisatie worden gehanteerd en op een vergelijking van de interne en externe ratings van gewone debiteuren;
b. de criteria van de externe organisatie welke aan de voor de kwantificering gebruikte gegevens ten grondslag liggen, hebben uitsluitend betrekking op het wanbetalingsrisico en houden geen rekening met de transactiekenmerken;
c. in de analyse van de financiële onderneming is een vergelijking van de definities van wanbetaling opgenomen, met inachtneming van de bepalingen van artikel 1 van het Besluit en de artikelen 3:40 en 3:78 van deze regeling; en
d. de financiële onderneming documenteert de grondslag voor de koppeling.
5. Indien een financiële onderneming gebruik maakt van statistische voorspellingsmodellen voor wanbetaling, dan kan zij PD’s ramen als het gewone gemiddelde van de ramingen van de kans op wanbetaling voor individuele debiteuren van een bepaalde klasse. Wanneer de financiële onderneming voor deze doeleinden gebruik maakt van waarschijnlijkheidsmodellen voor wanbetaling, wordt voldaan aan de in artikel 3:70 gespecificeerde normen.
6. Wanneer een financiële onderneming PD-ramingstechnieken toepast, kan dat alleen met ondersteunende analyses, waarbij de financiële onderneming het belang van subjectieve overwegingen betrekt bij het combineren van de resultaten van de toepassing van technieken en bij het aanbrengen van aanpassingen om rekening te houden met de beperkingen waaraan de technieken en de informatie onderhevig zijn.
7. De duur van de gebruikte onderliggende historische waarnemingsperiode is voor ten minste één bron gelijk aan minimum vijf jaar, ongeacht of een financiële onderneming voor haar PD-raming gebruik maakt van externe gegevens, interne gegevens, datapools of een combinatie van deze drie bronnen. Indien de waarnemingsperiode voor één van de bronnen een langere periode omspant en deze gegevens relevant zijn, dan wordt van deze langere periode gebruik gemaakt. Dit is ook van toepassing op de PD/LGD-benadering van aandelen. Een financiële onderneming die de Eenvoudige IRB toepast, waarborgt dat zij bij de invoering van de IRB over relevante gegevens beschikt die een periode van minimaal twee jaar bestrijken. De te bestrijken periode neemt elk jaar met een jaar toe totdat de relevante gegevens een periode van vijf jaar bestrijken.
- Citeren als
- Art. 3:79
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0020764
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl