BWBR0020700
Geldig vanaf 31-12-2011
Artikel 3:9
Regeling solvabiliteitseisen marktrisico Wft 2011
1. Een financiële onderneming deelt haar netto posities in schuldinstrumenten, die overeenkomstig artikel 3:1 zijn berekend, in naar de valuta’s waarin zij luiden en berekent het solvabiliteitsvereiste voor het specifieke positierisico en het algemene positierisico in elke valuta afzonderlijk.
2. Het solvabiliteitsvereiste ter dekking van het specifieke positierisico van andere dan eigen schuldinstrumenten of securitisatieposities is gelijk aan de som van de in het derde lid bedoelde bedragen. Ter berekening van deze bedragen brengt de financiële onderneming al haar netto posities op grond van een verdeling naar de emittent of debiteur, naar de externe of interne kredietbeoordeling en naar hun resterende looptijden in de handelsportefeuille, eerst onder in de categorieën genoemd in het derde lid.
3. De bedragen en categorieën, bedoeld in het tweede lid, zijn:
a. ingeval van schuldinstrumenten uitgegeven of gegarandeerd door centrale overheden respectievelijk uitgegeven door centrale banken, internationale organisaties, multilaterale ontwikkelingsbanken of regionale of lagere overheden waarop volgens afdeling 2.2 van de Rsk 2010 een risicogewicht van 0% kan worden toegepast: 0% van de berekende netto positie;
b. ingeval van schuldinstrumenten uitgegeven of gegarandeerd door centrale overheden respectievelijk uitgegeven door centrale banken, internationale organisaties, multilaterale ontwikkelingsbanken of regionale of lagere overheden met een resterende looptijd tot eindvervaldatum van zes maanden of minder, waarop volgens afdeling 2.2 respectievelijk hoofdstuk 3 van de Rsk 2010 een risicogewicht van 20% of 50% wordt toegepast: 0,25% van de berekende netto positie;
c. ingeval van schuldinstrumenten als bedoeld in onderdeel b, indien deze een resterende looptijd tot eindvervaldatum van meer dan zes maanden, doch ten hoogste 24 maanden hebben: 1% van de berekende netto positie;
d. ingeval van posten als bedoeld in het vierde lid, indien deze een resterende looptijd tot eindvervaldatum van meer dan 24 maanden hebben: 1,6% van de berekende netto positie;
e. ingeval van schuldinstrumenten waarop volgens afdeling 2.2 van de Rsk 2010 een risicogewicht van 100% wordt toegepast: 8% van de berekende netto positie;
f. ingeval van enig ander schuldinstrument, evenals de in de onderdelen a tot en met e bedoelde instrumenten, waaraan wegens ontoereikende solvabiliteit van de emittent of ontoereikende liquiditeit van het instrument een bijzonder risico verbonden is: 12% van de berekende netto positie.
4. De in het vorige lid, onderdeel d, bedoelde posten, zijn:
a. activa waaraan, overeenkomstig tabel A van bijlage 2A bij de Rsk 2010 een risicogewicht van 20% kan worden toegekend;
b. activa die, gelet op de solvabiliteit van de emittent, een kans op wanbetaling hebben die niet hoger is dan die van de in onderdeel a bedoelde activa;
c. activa waarvoor geen kredietbeoordeling door een aangewezen EKBI als bedoeld in artikel 1:1, onderdeel a, van de Rsk 2010 beschikbaar is en: 1°. die door de financiële onderneming als voldoende liquide worden beschouwd;
2°. waarvan de beleggingskwaliteit volgens de eigen beoordeling van de financiële onderneming ten minste gelijkwaardig is aan die van de in onderdeel a bedoelde activa; en
3°. die genoteerd zijn op tenminste één gereglementeerde markt in een lidstaat of op een door DNB erkende beurs in een staat, bedoeld in artikel 3:4, derde lid.
1°. die door de financiële onderneming als voldoende liquide worden beschouwd;
2°. waarvan de beleggingskwaliteit volgens de eigen beoordeling van de financiële onderneming ten minste gelijkwaardig is aan die van de in onderdeel a bedoelde activa; en
3°. die genoteerd zijn op tenminste één gereglementeerde markt in een lidstaat of op een door DNB erkende beurs in een staat, bedoeld in artikel 3:4, derde lid.
d. activa uitgegeven door financiële ondernemingen die aan de solvabiliteitseisen van de herziene richtlijn banken zijn onderworpen en: 1°. die door de financiële onderneming als voldoende liquide worden beschouwd; en
2°. waarvan de beleggingskwaliteit volgens de eigen beoordeling van de financiële onderneming ten minste gelijkwaardig is aan die van de in onderdeel a bedoelde activa;
1°. die door de financiële onderneming als voldoende liquide worden beschouwd; en
2°. waarvan de beleggingskwaliteit volgens de eigen beoordeling van de financiële onderneming ten minste gelijkwaardig is aan die van de in onderdeel a bedoelde activa;
e. effecten waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de kredietkwaliteit daarvan gelijk is aan of hoger is dan kredietkwaliteitscategorie 2 als bedoeld in afdeling 2.2 van de Regeling solvabiliteitseisen voor het kredietrisico en die onderworpen zijn aan een toezicht en regelgevingskader dat vergelijkbaar is met deze regeling.
5. In afwijking van het vorige lid, worden schuldinstrumenten waaraan een te hoog specifiek positierisico verbonden is niet als gekwalificeerde post aangemerkt.
2. Het solvabiliteitsvereiste ter dekking van het specifieke positierisico van andere dan eigen schuldinstrumenten of securitisatieposities is gelijk aan de som van de in het derde lid bedoelde bedragen. Ter berekening van deze bedragen brengt de financiële onderneming al haar netto posities op grond van een verdeling naar de emittent of debiteur, naar de externe of interne kredietbeoordeling en naar hun resterende looptijden in de handelsportefeuille, eerst onder in de categorieën genoemd in het derde lid.
3. De bedragen en categorieën, bedoeld in het tweede lid, zijn:
a. ingeval van schuldinstrumenten uitgegeven of gegarandeerd door centrale overheden respectievelijk uitgegeven door centrale banken, internationale organisaties, multilaterale ontwikkelingsbanken of regionale of lagere overheden waarop volgens afdeling 2.2 van de Rsk 2010 een risicogewicht van 0% kan worden toegepast: 0% van de berekende netto positie;
b. ingeval van schuldinstrumenten uitgegeven of gegarandeerd door centrale overheden respectievelijk uitgegeven door centrale banken, internationale organisaties, multilaterale ontwikkelingsbanken of regionale of lagere overheden met een resterende looptijd tot eindvervaldatum van zes maanden of minder, waarop volgens afdeling 2.2 respectievelijk hoofdstuk 3 van de Rsk 2010 een risicogewicht van 20% of 50% wordt toegepast: 0,25% van de berekende netto positie;
c. ingeval van schuldinstrumenten als bedoeld in onderdeel b, indien deze een resterende looptijd tot eindvervaldatum van meer dan zes maanden, doch ten hoogste 24 maanden hebben: 1% van de berekende netto positie;
d. ingeval van posten als bedoeld in het vierde lid, indien deze een resterende looptijd tot eindvervaldatum van meer dan 24 maanden hebben: 1,6% van de berekende netto positie;
e. ingeval van schuldinstrumenten waarop volgens afdeling 2.2 van de Rsk 2010 een risicogewicht van 100% wordt toegepast: 8% van de berekende netto positie;
f. ingeval van enig ander schuldinstrument, evenals de in de onderdelen a tot en met e bedoelde instrumenten, waaraan wegens ontoereikende solvabiliteit van de emittent of ontoereikende liquiditeit van het instrument een bijzonder risico verbonden is: 12% van de berekende netto positie.
4. De in het vorige lid, onderdeel d, bedoelde posten, zijn:
a. activa waaraan, overeenkomstig tabel A van bijlage 2A bij de Rsk 2010 een risicogewicht van 20% kan worden toegekend;
b. activa die, gelet op de solvabiliteit van de emittent, een kans op wanbetaling hebben die niet hoger is dan die van de in onderdeel a bedoelde activa;
c. activa waarvoor geen kredietbeoordeling door een aangewezen EKBI als bedoeld in artikel 1:1, onderdeel a, van de Rsk 2010 beschikbaar is en: 1°. die door de financiële onderneming als voldoende liquide worden beschouwd;
2°. waarvan de beleggingskwaliteit volgens de eigen beoordeling van de financiële onderneming ten minste gelijkwaardig is aan die van de in onderdeel a bedoelde activa; en
3°. die genoteerd zijn op tenminste één gereglementeerde markt in een lidstaat of op een door DNB erkende beurs in een staat, bedoeld in artikel 3:4, derde lid.
1°. die door de financiële onderneming als voldoende liquide worden beschouwd;
2°. waarvan de beleggingskwaliteit volgens de eigen beoordeling van de financiële onderneming ten minste gelijkwaardig is aan die van de in onderdeel a bedoelde activa; en
3°. die genoteerd zijn op tenminste één gereglementeerde markt in een lidstaat of op een door DNB erkende beurs in een staat, bedoeld in artikel 3:4, derde lid.
d. activa uitgegeven door financiële ondernemingen die aan de solvabiliteitseisen van de herziene richtlijn banken zijn onderworpen en: 1°. die door de financiële onderneming als voldoende liquide worden beschouwd; en
2°. waarvan de beleggingskwaliteit volgens de eigen beoordeling van de financiële onderneming ten minste gelijkwaardig is aan die van de in onderdeel a bedoelde activa;
1°. die door de financiële onderneming als voldoende liquide worden beschouwd; en
2°. waarvan de beleggingskwaliteit volgens de eigen beoordeling van de financiële onderneming ten minste gelijkwaardig is aan die van de in onderdeel a bedoelde activa;
e. effecten waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de kredietkwaliteit daarvan gelijk is aan of hoger is dan kredietkwaliteitscategorie 2 als bedoeld in afdeling 2.2 van de Regeling solvabiliteitseisen voor het kredietrisico en die onderworpen zijn aan een toezicht en regelgevingskader dat vergelijkbaar is met deze regeling.
5. In afwijking van het vorige lid, worden schuldinstrumenten waaraan een te hoog specifiek positierisico verbonden is niet als gekwalificeerde post aangemerkt.
- Citeren als
- Art. 3:9
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0020700
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl