1. Van hetgeen is bepaald ingevolge de
hoofdstukken 2 en
5 van de weten de
artikelen 28, eerste lid,
54en
55 van de wet, zijn, voor het aanbieden van krediet in het kader van het uitoefenen van haar publieke taak, vrijgesteld gemeentelijke kredietbanken opgericht door middel van het treffen van een gemeenschappelijke regeling en gemeentelijke kredietbanken met een privaatrechtelijke rechtsvorm, mits:
a. voor de bedrijfsvoering een reglement is vastgesteld, waaruit voor het aanbieden van krediet in het kader van het uitoefenen van haar publieke taak ten minste blijkt op welke wijze zal worden voldaan aan hetgeen is bepaald bij of krachtens hoofdstuk 3 en paragraaf 1 van hoofdstuk 4 van de wet en de hoofdstukken IV en V van de Wet op het consumentenkrediet;
b. het reglement, bedoeld in onderdeel a, is goedgekeurd door gedeputeerde staten; en
c. het toezicht op de naleving van het reglement, bedoeld in onderdeel a: 1°. wordt uitgevoerd door het algemeen bestuur van de gemeentelijke kredietbank, indien de gemeentelijke kredietbank is opgericht door middel van het treffen van een gemeenschappelijke regeling en geen privaatrechtelijke rechtsvorm heeft; of
2°. indien de gemeentelijke kredietbank een privaatrechtelijke rechtsvorm heeft, wordt gewaarborgd doordat de meerderheid van het bestuur wordt benoemd op voordracht van een gemeenteraad of van burgemeester en wethouders van één of meer gemeenten waarvoor de gemeentelijke kredietbank werkzaamheden verricht, dan wel de meerderheid van de Raad van Toezicht wordt benoemd op voordracht van een gemeenteraad of van burgemeester en wethouders van één of meer gemeenten waarvoor de gemeentelijke kredietbank werkzaamheden verricht, dan wel de jaarrekening en begroting van de gemeentelijke kredietbank worden goedgekeurd door de gemeenteraad of door burgemeester en wethouders van één of meer gemeenten waarvoor de gemeentelijke kredietbank werkzaamheden verricht, tenzij een negatief exploitatiesaldo van een gemeentelijke kredietbank met privaatrechtelijke rechtsvorm wordt aangezuiverd door één of meer gemeenten waarvoor de gemeentelijke kredietbank werkzaam is.
1°. wordt uitgevoerd door het algemeen bestuur van de gemeentelijke kredietbank, indien de gemeentelijke kredietbank is opgericht door middel van het treffen van een gemeenschappelijke regeling en geen privaatrechtelijke rechtsvorm heeft; of
2°. indien de gemeentelijke kredietbank een privaatrechtelijke rechtsvorm heeft, wordt gewaarborgd doordat de meerderheid van het bestuur wordt benoemd op voordracht van een gemeenteraad of van burgemeester en wethouders van één of meer gemeenten waarvoor de gemeentelijke kredietbank werkzaamheden verricht, dan wel de meerderheid van de Raad van Toezicht wordt benoemd op voordracht van een gemeenteraad of van burgemeester en wethouders van één of meer gemeenten waarvoor de gemeentelijke kredietbank werkzaamheden verricht, dan wel de jaarrekening en begroting van de gemeentelijke kredietbank worden goedgekeurd door de gemeenteraad of door burgemeester en wethouders van één of meer gemeenten waarvoor de gemeentelijke kredietbank werkzaamheden verricht, tenzij een negatief exploitatiesaldo van een gemeentelijke kredietbank met privaatrechtelijke rechtsvorm wordt aangezuiverd door één of meer gemeenten waarvoor de gemeentelijke kredietbank werkzaam is.
2. Van hetgeen is bepaald ingevolge de
artikelen 26, eerste en tweede lid, en
27, eerste lid, van de wetzijn vrijgesteld gemeentelijke kredietbanken die rechtspersoonlijkheid bezitten, indien de personen die het beleid van de gemeentelijke kredietbanken bepalen of mede bepalen, en de personen die het dagelijks beleid van de gemeentelijke kredietbanken bepalen, lid of voorzitter zijn van een gemeenteraad dan wel deel uitmaken van een college van burgemeester en wethouders.
3. Van hetgeen bij of krachtens de wet is bepaald, met uitzondering van
artikel 31 van de wet, zijn vrijgesteld gemeentelijke kredietbanken ten aanzien waarvan
artikel 55 van de wetis toegepast of die zijn vrijgesteld op grond van het eerste lid, voor zover zij financiële diensten verlenen ten aanzien van betaalrekeningen met inbegrip van de daaraan verbonden betaalfaciliteiten, indien dit plaatsvindt in het kader van het beheer van cliëntgelden als onderdeel van een integraal hulpverleningstraject.