BWBR0019283
Geldig vanaf 2006-01-01
Artikel 36
Besluit financiële dienstverlening
1. Onverminderd artikel 30houdt een aanbieder van krediet, niet zijnde hypothecair krediet, een prospectus beschikbaar op zijn website en verstrekt hij onverwijld een prospectus op verzoek van een consument, of, indien de aanbieder van krediet, niet zijnde hypothecair krediet, niet beschikt over een website, verstrekt hij een prospectus aan een consument voorafgaande aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake een krediet. Aan de verstrekking van een prospectus zijn voor de consument geen kosten verbonden.
2. Indien een krediet, niet zijnde een hypothecair krediet, wordt aangeboden door tussenkomst van een bemiddelaar, wordt een prospectus door deze bemiddelaar verstrekt, tenzij de aanbieder en de bemiddelaar zijn overeengekomen dat de aanbieder zelf aan deze verplichting voldoet. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing.
3. In het prospectus wordt de volgende informatie behandeld:
a. een beschrijving van de bij een kredietaanvraag te volgen procedure;
b. een globale beschrijving van de criteria die ten grondslag liggen aan de beoordeling van de kredietwaardigheid van de consument, waarin ten minste twee representatieve voorbeelden van toepassing van die criteria zijn opgenomen;
c. tenzij het prospectus betrekking heeft op een overeenkomst inzake krediet als bedoeld in artikel 60, tweede lid, de vermelding van: 1°. het feit dat de aanbieder van krediet aan een stelsel van kredietregistratie als bedoeld in artikel 53 van de wet, deelneemt,
2°. de naam en de plaats van vestiging van de instelling die dat stelsel in stand houdt,
3°. het doel en de werkwijze van dat stelsel, waaruit in ieder geval blijkt in welke gevallen gegevens betreffende de kredietwaardigheid van de consument door de aanbieder van krediet kunnen worden opgevraagd, en dat gegevens met betrekking tot een verleend krediet door de aanbieder van krediet worden verstrekt aan en worden geregistreerd door de instelling die dat stelsel in stand houdt;
1°. het feit dat de aanbieder van krediet aan een stelsel van kredietregistratie als bedoeld in artikel 53 van de wet, deelneemt,
2°. de naam en de plaats van vestiging van de instelling die dat stelsel in stand houdt,
3°. het doel en de werkwijze van dat stelsel, waaruit in ieder geval blijkt in welke gevallen gegevens betreffende de kredietwaardigheid van de consument door de aanbieder van krediet kunnen worden opgevraagd, en dat gegevens met betrekking tot een verleend krediet door de aanbieder van krediet worden verstrekt aan en worden geregistreerd door de instelling die dat stelsel in stand houdt;
d. zodanige aanduidingen of omschrijvingen van het aangeboden krediet, dat daaruit blijkt of het een doorlopend krediet, dan wel een ander krediet, betreft;
e. een beschrijving van de algemene voorwaarden, waaronder de betrokken aanbieder van krediet bereid is overeenkomsten inzake krediet aan te gaan, waaronder in ieder geval, indien van toepassing, de voorwaarden inzake: 1°. ten behoeve van de aanbieder van krediet te vestigen zekerheidsrechten,
2°. vervroegde opeisbaarheid van het door de consument verschuldigde, en
3°. de bevoegdheid van de consument tot volledige of gedeeltelijke vervroegde aflossing;
1°. ten behoeve van de aanbieder van krediet te vestigen zekerheidsrechten,
2°. vervroegde opeisbaarheid van het door de consument verschuldigde, en
3°. de bevoegdheid van de consument tot volledige of gedeeltelijke vervroegde aflossing;
f. indien de consument zich bij de totstandkoming van een overeenkomst inzake krediet verplicht tot het aangaan van een andere overeenkomst: 1°. een beschrijving van het daartoe strekkende beding, en
2°. de vermelding dat de consument het recht heeft te bepalen met welke wederpartij die andere overeenkomst zal worden aangegaan, tenzij artikel 33, onderdeel b, onder 1°, van de Wet op het consumentenkrediet niet op het krediet van toepassing is;
1°. een beschrijving van het daartoe strekkende beding, en
2°. de vermelding dat de consument het recht heeft te bepalen met welke wederpartij die andere overeenkomst zal worden aangegaan, tenzij artikel 33, onderdeel b, onder 1°, van de Wet op het consumentenkrediet niet op het krediet van toepassing is;
g. de vermelding dat de consument eerst na ingebrekestelling een vergoeding verschuldigd wordt, indien hij nalatig blijft in zijn verplichting tot betaling, tenzij artikel 34, onderdeel b, van de Wet op het consumentenkrediet niet op het krediet van toepassing is;
h. een toelichting met betrekking tot de op grond van artikel 28, zevende lid, te bezigen aanduiding in de volgende bewoordingen: «De effectieve rente op jaarbasis is een prijsaanduiding voor het krediet. Hierin komen alle kosten van het krediet tot uitdrukking.».
4. Het derde lid, onderdeel f, aanhef en onder 2°, is niet van toepassing op een beding als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0004815/artikel/33" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 33, onderdeel b, onder 2°, van de Wet op het consumentenkrediet</a>.
5. Een aanbieder van doorlopend krediet behandelt in het prospectus tevens de volgende onderwerpen:
a. ten minste en uitsluitend vier representatieve kredietlimieten met daarbij de overige kenmerken van het krediet, bedoeld in artikel 28, eerste en tweede lid;
b. de uitgangspunten bij de berekening van de theoretische looptijd;
c. indien van toepassing, de hoogte van de vergoeding die verschuldigd wordt, indien de consument, na ingebrekestelling, nalatig blijft in zijn verplichting tot betaling;
d. indien van toepassing, de hoogte van de vergoeding die verschuldigd wordt, indien de consument vervroegd aflost.
6. Een aanbieder van krediet, niet zijnde doorlopend krediet, behandelt in het prospectus tevens de volgende onderwerpen:
a. ten minste en uitsluitend vier representatieve kredietsommen met daarbij de overige kenmerken van het krediet, bedoeld in artikel 28, eerste en tweede lid;
b. ten minste één voorbeeld van een berekening waaruit blijkt op welke wijze met behulp van de kredietsom, de maandlast en de looptijd het bedrag kan worden bepaald van het totaal aan kredietvergoeding dat de consument verschuldigd is bij een regelmatige afwikkeling van de overeenkomst;
c. indien van toepassing, de hoogte van de vergoeding die verschuldigd wordt, indien de consument, na ingebrekestelling, nalatig blijft in zijn verplichting tot betaling;
d. indien van toepassing, de hoogte van de vergoeding die verschuldigd wordt, indien de consument vervroegd aflost, alsmede ten minste één voorbeeld van een berekening waaruit blijkt op welke wijze het bedrag van deze vergoeding wordt bepaald.
7. Het prospectus bevat geen informatie over andere onderwerpen dan bedoeld in het derde, vijfde en zesde lid.
8. De toezichthouder kan regels stellen met betrekking tot de wijze van verstrekking van de informatie, bedoeld in het derde, vijfde en zesde lid.
9. Het eerste tot en het met achtste lid zijn niet van toepassing op aanbieders van of bemiddelaars in krediet voor zover de overeenkomst inzake een krediet dient ter financiering van effecten en het krediet bestaat uit de belening van:
a. effecten die zijn toegelaten tot de handel op een op grond van artikel 22, eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 erkende effectenbeurs of een gereglementeerde markt als bedoeld in artikel 1, onder 13, van richtlijn nr. 93/22/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 10 mei 1993 betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten (PbEG L 141), waarvan de houder in een andere lidstaat is gevestigd; of
b. niet tot de handel op een in onderdeel a bedoelde effectenbeurs toegelaten effecten, voorzover de waarde daarvan door middel van een openbare prijsaanduiding voor een ieder kenbaar is.
2. Indien een krediet, niet zijnde een hypothecair krediet, wordt aangeboden door tussenkomst van een bemiddelaar, wordt een prospectus door deze bemiddelaar verstrekt, tenzij de aanbieder en de bemiddelaar zijn overeengekomen dat de aanbieder zelf aan deze verplichting voldoet. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing.
3. In het prospectus wordt de volgende informatie behandeld:
a. een beschrijving van de bij een kredietaanvraag te volgen procedure;
b. een globale beschrijving van de criteria die ten grondslag liggen aan de beoordeling van de kredietwaardigheid van de consument, waarin ten minste twee representatieve voorbeelden van toepassing van die criteria zijn opgenomen;
c. tenzij het prospectus betrekking heeft op een overeenkomst inzake krediet als bedoeld in artikel 60, tweede lid, de vermelding van: 1°. het feit dat de aanbieder van krediet aan een stelsel van kredietregistratie als bedoeld in artikel 53 van de wet, deelneemt,
2°. de naam en de plaats van vestiging van de instelling die dat stelsel in stand houdt,
3°. het doel en de werkwijze van dat stelsel, waaruit in ieder geval blijkt in welke gevallen gegevens betreffende de kredietwaardigheid van de consument door de aanbieder van krediet kunnen worden opgevraagd, en dat gegevens met betrekking tot een verleend krediet door de aanbieder van krediet worden verstrekt aan en worden geregistreerd door de instelling die dat stelsel in stand houdt;
1°. het feit dat de aanbieder van krediet aan een stelsel van kredietregistratie als bedoeld in artikel 53 van de wet, deelneemt,
2°. de naam en de plaats van vestiging van de instelling die dat stelsel in stand houdt,
3°. het doel en de werkwijze van dat stelsel, waaruit in ieder geval blijkt in welke gevallen gegevens betreffende de kredietwaardigheid van de consument door de aanbieder van krediet kunnen worden opgevraagd, en dat gegevens met betrekking tot een verleend krediet door de aanbieder van krediet worden verstrekt aan en worden geregistreerd door de instelling die dat stelsel in stand houdt;
d. zodanige aanduidingen of omschrijvingen van het aangeboden krediet, dat daaruit blijkt of het een doorlopend krediet, dan wel een ander krediet, betreft;
e. een beschrijving van de algemene voorwaarden, waaronder de betrokken aanbieder van krediet bereid is overeenkomsten inzake krediet aan te gaan, waaronder in ieder geval, indien van toepassing, de voorwaarden inzake: 1°. ten behoeve van de aanbieder van krediet te vestigen zekerheidsrechten,
2°. vervroegde opeisbaarheid van het door de consument verschuldigde, en
3°. de bevoegdheid van de consument tot volledige of gedeeltelijke vervroegde aflossing;
1°. ten behoeve van de aanbieder van krediet te vestigen zekerheidsrechten,
2°. vervroegde opeisbaarheid van het door de consument verschuldigde, en
3°. de bevoegdheid van de consument tot volledige of gedeeltelijke vervroegde aflossing;
f. indien de consument zich bij de totstandkoming van een overeenkomst inzake krediet verplicht tot het aangaan van een andere overeenkomst: 1°. een beschrijving van het daartoe strekkende beding, en
2°. de vermelding dat de consument het recht heeft te bepalen met welke wederpartij die andere overeenkomst zal worden aangegaan, tenzij artikel 33, onderdeel b, onder 1°, van de Wet op het consumentenkrediet niet op het krediet van toepassing is;
1°. een beschrijving van het daartoe strekkende beding, en
2°. de vermelding dat de consument het recht heeft te bepalen met welke wederpartij die andere overeenkomst zal worden aangegaan, tenzij artikel 33, onderdeel b, onder 1°, van de Wet op het consumentenkrediet niet op het krediet van toepassing is;
g. de vermelding dat de consument eerst na ingebrekestelling een vergoeding verschuldigd wordt, indien hij nalatig blijft in zijn verplichting tot betaling, tenzij artikel 34, onderdeel b, van de Wet op het consumentenkrediet niet op het krediet van toepassing is;
h. een toelichting met betrekking tot de op grond van artikel 28, zevende lid, te bezigen aanduiding in de volgende bewoordingen: «De effectieve rente op jaarbasis is een prijsaanduiding voor het krediet. Hierin komen alle kosten van het krediet tot uitdrukking.».
4. Het derde lid, onderdeel f, aanhef en onder 2°, is niet van toepassing op een beding als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0004815/artikel/33" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 33, onderdeel b, onder 2°, van de Wet op het consumentenkrediet</a>.
5. Een aanbieder van doorlopend krediet behandelt in het prospectus tevens de volgende onderwerpen:
a. ten minste en uitsluitend vier representatieve kredietlimieten met daarbij de overige kenmerken van het krediet, bedoeld in artikel 28, eerste en tweede lid;
b. de uitgangspunten bij de berekening van de theoretische looptijd;
c. indien van toepassing, de hoogte van de vergoeding die verschuldigd wordt, indien de consument, na ingebrekestelling, nalatig blijft in zijn verplichting tot betaling;
d. indien van toepassing, de hoogte van de vergoeding die verschuldigd wordt, indien de consument vervroegd aflost.
6. Een aanbieder van krediet, niet zijnde doorlopend krediet, behandelt in het prospectus tevens de volgende onderwerpen:
a. ten minste en uitsluitend vier representatieve kredietsommen met daarbij de overige kenmerken van het krediet, bedoeld in artikel 28, eerste en tweede lid;
b. ten minste één voorbeeld van een berekening waaruit blijkt op welke wijze met behulp van de kredietsom, de maandlast en de looptijd het bedrag kan worden bepaald van het totaal aan kredietvergoeding dat de consument verschuldigd is bij een regelmatige afwikkeling van de overeenkomst;
c. indien van toepassing, de hoogte van de vergoeding die verschuldigd wordt, indien de consument, na ingebrekestelling, nalatig blijft in zijn verplichting tot betaling;
d. indien van toepassing, de hoogte van de vergoeding die verschuldigd wordt, indien de consument vervroegd aflost, alsmede ten minste één voorbeeld van een berekening waaruit blijkt op welke wijze het bedrag van deze vergoeding wordt bepaald.
7. Het prospectus bevat geen informatie over andere onderwerpen dan bedoeld in het derde, vijfde en zesde lid.
8. De toezichthouder kan regels stellen met betrekking tot de wijze van verstrekking van de informatie, bedoeld in het derde, vijfde en zesde lid.
9. Het eerste tot en het met achtste lid zijn niet van toepassing op aanbieders van of bemiddelaars in krediet voor zover de overeenkomst inzake een krediet dient ter financiering van effecten en het krediet bestaat uit de belening van:
a. effecten die zijn toegelaten tot de handel op een op grond van artikel 22, eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 erkende effectenbeurs of een gereglementeerde markt als bedoeld in artikel 1, onder 13, van richtlijn nr. 93/22/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 10 mei 1993 betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten (PbEG L 141), waarvan de houder in een andere lidstaat is gevestigd; of
b. niet tot de handel op een in onderdeel a bedoelde effectenbeurs toegelaten effecten, voorzover de waarde daarvan door middel van een openbare prijsaanduiding voor een ieder kenbaar is.