BWBR0018329
Geldig vanaf 2006-01-01
Artikel 41
Wet financiële dienstverlening
1. Met de uitvoering van een overeenkomst op afstand wordt pas na toestemming van de consument een begin gemaakt.
2. Indien de consument gebruik maakt van zijn in artikel 40, eerste of tweede lid, bedoelde recht, kan de financiële dienstverlener uitsluitend een vergoeding vragen voor het financiële product dat krachtens de overeenkomst op afstand is geleverd. Deze vergoeding is:
a. niet hoger dan een bedrag evenredig aan de verhouding tussen het reeds geleverde product en de volledige uitvoering van de overeenkomst op afstand; en
b. in geen geval zo hoog dat deze als een boete kan worden opgevat.
3. De financiële dienstverlener kan slechts betaling op grond van het tweede lid verlangen indien hij:
a. kan aantonen dat de consument overeenkomstig artikel 31, eerste lid, is geïnformeerd over de in het tweede lid bedoelde vergoeding; en
b. op uitdrukkelijk verzoek van de consument met de uitvoering van de overeenkomst is begonnen voor het verstrijken van de in artikel 40, eerste of tweede lid, genoemde ontbindingstermijn.
4. De financiële dienstverlener betaalt de consument zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen 30 kalenderdagen nadat hij de kennisgeving van de in artikel 40bedoelde ontbinding heeft ontvangen, al hetgeen hij krachtens de overeenkomst op afstand van hem ontvangen heeft terug, verminderd met het in het tweede lid bedoelde bedrag.
5. De consument geeft de financiële dienstverlener onverwijld, en uiterlijk binnen 30 kalenderdagen nadat hij de kennisgeving van de in artikel 40bedoelde ontbinding heeft verzonden, alle geldbedragen of zaken terug die hij van de financiële dienstverlener heeft ontvangen.
2. Indien de consument gebruik maakt van zijn in artikel 40, eerste of tweede lid, bedoelde recht, kan de financiële dienstverlener uitsluitend een vergoeding vragen voor het financiële product dat krachtens de overeenkomst op afstand is geleverd. Deze vergoeding is:
a. niet hoger dan een bedrag evenredig aan de verhouding tussen het reeds geleverde product en de volledige uitvoering van de overeenkomst op afstand; en
b. in geen geval zo hoog dat deze als een boete kan worden opgevat.
3. De financiële dienstverlener kan slechts betaling op grond van het tweede lid verlangen indien hij:
a. kan aantonen dat de consument overeenkomstig artikel 31, eerste lid, is geïnformeerd over de in het tweede lid bedoelde vergoeding; en
b. op uitdrukkelijk verzoek van de consument met de uitvoering van de overeenkomst is begonnen voor het verstrijken van de in artikel 40, eerste of tweede lid, genoemde ontbindingstermijn.
4. De financiële dienstverlener betaalt de consument zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen 30 kalenderdagen nadat hij de kennisgeving van de in artikel 40bedoelde ontbinding heeft ontvangen, al hetgeen hij krachtens de overeenkomst op afstand van hem ontvangen heeft terug, verminderd met het in het tweede lid bedoelde bedrag.
5. De consument geeft de financiële dienstverlener onverwijld, en uiterlijk binnen 30 kalenderdagen nadat hij de kennisgeving van de in artikel 40bedoelde ontbinding heeft verzonden, alle geldbedragen of zaken terug die hij van de financiële dienstverlener heeft ontvangen.