BWBR0019322
Geldig vanaf 2006-04-21
Artikel 26f
Vrijstellingsregeling Wfd
1. Van hetgeen is bepaald in artikel 52 van de weten de artikelen 36, eerste tot en met achtste lid, 59, eerste lid, 60, eerste lid, en 61, eerste lid, van het besluit, zijn vrijgesteld aanbieders van krediet, voor zover zij krediet aanbieden tegen onderpand van effecten die tot zekerheid dienen voor de terugbetaling van het krediet aan een consument die reeds op het moment van aangaan van de overeenkomst inzake krediet bezitter is van de te verpanden effecten, van welk krediet de kredietsom of de kredietlimiet gedurende de looptijd van de overeenkomst inzake het krediet niet hoger is dan 70% van de waarde van de te verpanden effecten.
2. Van hetgeen is bepaald in artikel 53, eerste lid, van de weten ingevolge artikel 53, tweede lid, van de wetzijn vrijgesteld bemiddelaars in krediet, voor zover het krediet waarin zij bemiddelen wordt aangeboden tegen onderpand van effecten die tot zekerheid dienen voor de terugbetaling van het krediet aan een consument die reeds op het moment van aangaan van de overeenkomst inzake krediet bezitter is van de te verpanden effecten, van welk krediet de kredietsom of de kredietlimiet gedurende de looptijd van de overeenkomst inzake het krediet niet hoger is dan 70% van de waarde van de te verpanden effecten.
3. Het eerste lid en tweede lid zijn slechts van toepassing indien de in het eerste en tweede lid bedoelde effecten:
a. zijn toegelaten tot de handel op een op grond van artikel 22, eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 erkende effectenbeurs of een andere gereglementeerde markt als bedoeld in artikel 1, onder 13, van richtlijn nr. 93/22/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 10 mei 1993 betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten (PbEG L 141); of
b. niet tot de handel op een onder a bedoelde effectenbeurs of gereglementeerde markt zijn toegelaten en de waarde van die effecten door middel van een openbare prijsaanduiding voor een ieder kenbaar is.
2. Van hetgeen is bepaald in artikel 53, eerste lid, van de weten ingevolge artikel 53, tweede lid, van de wetzijn vrijgesteld bemiddelaars in krediet, voor zover het krediet waarin zij bemiddelen wordt aangeboden tegen onderpand van effecten die tot zekerheid dienen voor de terugbetaling van het krediet aan een consument die reeds op het moment van aangaan van de overeenkomst inzake krediet bezitter is van de te verpanden effecten, van welk krediet de kredietsom of de kredietlimiet gedurende de looptijd van de overeenkomst inzake het krediet niet hoger is dan 70% van de waarde van de te verpanden effecten.
3. Het eerste lid en tweede lid zijn slechts van toepassing indien de in het eerste en tweede lid bedoelde effecten:
a. zijn toegelaten tot de handel op een op grond van artikel 22, eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 erkende effectenbeurs of een andere gereglementeerde markt als bedoeld in artikel 1, onder 13, van richtlijn nr. 93/22/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 10 mei 1993 betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten (PbEG L 141); of
b. niet tot de handel op een onder a bedoelde effectenbeurs of gereglementeerde markt zijn toegelaten en de waarde van die effecten door middel van een openbare prijsaanduiding voor een ieder kenbaar is.