BWBR0019283
Geldig vanaf 2006-01-01
Artikel 59
Besluit financiële dienstverlening
1. Een aanbieder van krediet gaat met een consument geen overeenkomst inzake krediet aan waarvan de kredietsom of de kredietlimiet meer dan € 1000,– bedraagt, indien hij niet beschikt over voldoende schriftelijke of op een andere duurzame drager vastgelegde informatie aangaande de financiële positie van de consument om, ter voorkoming van overkreditering, te kunnen beoordelen of het aangaan van de overeenkomst verantwoord is.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op aanbieders van krediet waarvan de kredietsom, dan wel de kredietlimiet, gedurende de looptijd van de overeenkomst inzake het krediet niet hoger is dan 70% van de waarde van de betrokken effecten en de overeenkomst inzake het krediet dient ter financiering van effecten, voor zover het krediet bestaat uit de belening van:
a. effecten die zijn toegelaten tot de handel op een op grond van artikel 22, eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 erkende effectenbeurs of een gereglementeerde markt als bedoeld in artikel 1, onder 13, van richtlijn nr. 93/22/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 10 mei 1993 betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten (PbEG L 141), waarvan de houder in een andere lidstaat is gevestigd; of
b. niet tot de handel op een in onderdeel a bedoelde effectenbeurs toegelaten effecten, voorzover de waarde daarvan door middel van een openbare prijsaanduiding voor een ieder kenbaar is.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op aanbieders van krediet waarvan de kredietsom, dan wel de kredietlimiet, gedurende de looptijd van de overeenkomst inzake het krediet niet hoger is dan 70% van de waarde van de betrokken effecten en de overeenkomst inzake het krediet dient ter financiering van effecten, voor zover het krediet bestaat uit de belening van:
a. effecten die zijn toegelaten tot de handel op een op grond van artikel 22, eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 erkende effectenbeurs of een gereglementeerde markt als bedoeld in artikel 1, onder 13, van richtlijn nr. 93/22/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 10 mei 1993 betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten (PbEG L 141), waarvan de houder in een andere lidstaat is gevestigd; of
b. niet tot de handel op een in onderdeel a bedoelde effectenbeurs toegelaten effecten, voorzover de waarde daarvan door middel van een openbare prijsaanduiding voor een ieder kenbaar is.