BWBR0018329
Geldig vanaf 2006-01-01
Artikel 94
Wet financiële dienstverlening
1. De toezichthouder kan, in afwijking van artikel 84, eerste lid, gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling van de hem ingevolge deze wet opgedragen taak, verstrekken aan Nederlandse of buitenlandse overheidsinstanties dan wel aan Nederlandse of buitenlandse van overheidswege aangewezen instanties die belast zijn met het toezicht op financiële markten of op natuurlijke personen, rechtspersonen en vennootschappen die op die markten werkzaam zijn, tenzij:
a. het doel waarvoor de gegevens of inlichtingen zullen worden gebruikt onvoldoende bepaald is;
b. het beoogde gebruik van de gegevens of inlichtingen niet past in het kader van het toezicht op financiële markten of op natuurlijke personen, rechtspersonen en vennootschappen die op die markten werkzaam zijn;
c. de verstrekking van de gegevens of inlichtingen zich niet zou verdragen met de Nederlandse wet of de openbare orde;
d. de geheimhouding van de gegevens of inlichtingen niet in voldoende mate is gewaarborgd;
e. de verstrekking van de gegevens of inlichtingen redelijkerwijs in strijd is of zou kunnen komen met de belangen die deze wet beoogt te beschermen; of
f. onvoldoende is gewaarborgd dat de gegevens of inlichtingen niet zullen worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze worden verstrekt.
2. Indien een buitenlandse instantie als bedoeld in het eerste lid aan de toezichthouder verzoekt om de gegevens of inlichtingen die op grond van dat lid zijn verstrekt te mogen gebruiken voor een ander doel dan waarvoor zij zijn verstrekt, wordt dat verzoek slechts ingewilligd:
a. indien het beoogde gebruik niet in strijd is met het eerste lid; dan wel
b. indien die buitenlandse instantie op een andere wijze dan in deze wet voorzien vanuit Nederland met inachtneming van de daarvoor geldende procedures voor dat andere doel de beschikking over die gegevens of inlichtingen zou kunnen verkrijgen.
3. De toezichthouder kan voorts, in afwijking van artikel 84, eerste lid, gegevens of inlichtingen die betrekking hebben op een intracommunautaire inbreuk als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0020586/artikel/1.1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1.1, onderdeel g, van de Wet handhaving consumentenbescherming</a>verstrekken aan een verbindingsbureau of bevoegde autoriteit als bedoeld in verordening 2006/2004, indien deze verstrekking op grond van artikel 6, eerste lid, of artikel 7, eerste lid, van verordening 2006/2004 nodig is. Het eerste lid, onderdeel a en onderdelen c tot en met f, is van overeenkomstige toepassing.
4. Indien het in het tweede lid of artikel 6, eerste lid, van verordening 2006/2004 bedoelde verzoek betrekking heeft op een onderzoek naar strafbare feiten wordt dit niet ingewilligd dan na toestemming van Onze Minister van Justitie.
a. het doel waarvoor de gegevens of inlichtingen zullen worden gebruikt onvoldoende bepaald is;
b. het beoogde gebruik van de gegevens of inlichtingen niet past in het kader van het toezicht op financiële markten of op natuurlijke personen, rechtspersonen en vennootschappen die op die markten werkzaam zijn;
c. de verstrekking van de gegevens of inlichtingen zich niet zou verdragen met de Nederlandse wet of de openbare orde;
d. de geheimhouding van de gegevens of inlichtingen niet in voldoende mate is gewaarborgd;
e. de verstrekking van de gegevens of inlichtingen redelijkerwijs in strijd is of zou kunnen komen met de belangen die deze wet beoogt te beschermen; of
f. onvoldoende is gewaarborgd dat de gegevens of inlichtingen niet zullen worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze worden verstrekt.
2. Indien een buitenlandse instantie als bedoeld in het eerste lid aan de toezichthouder verzoekt om de gegevens of inlichtingen die op grond van dat lid zijn verstrekt te mogen gebruiken voor een ander doel dan waarvoor zij zijn verstrekt, wordt dat verzoek slechts ingewilligd:
a. indien het beoogde gebruik niet in strijd is met het eerste lid; dan wel
b. indien die buitenlandse instantie op een andere wijze dan in deze wet voorzien vanuit Nederland met inachtneming van de daarvoor geldende procedures voor dat andere doel de beschikking over die gegevens of inlichtingen zou kunnen verkrijgen.
3. De toezichthouder kan voorts, in afwijking van artikel 84, eerste lid, gegevens of inlichtingen die betrekking hebben op een intracommunautaire inbreuk als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0020586/artikel/1.1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1.1, onderdeel g, van de Wet handhaving consumentenbescherming</a>verstrekken aan een verbindingsbureau of bevoegde autoriteit als bedoeld in verordening 2006/2004, indien deze verstrekking op grond van artikel 6, eerste lid, of artikel 7, eerste lid, van verordening 2006/2004 nodig is. Het eerste lid, onderdeel a en onderdelen c tot en met f, is van overeenkomstige toepassing.
4. Indien het in het tweede lid of artikel 6, eerste lid, van verordening 2006/2004 bedoelde verzoek betrekking heeft op een onderzoek naar strafbare feiten wordt dit niet ingewilligd dan na toestemming van Onze Minister van Justitie.