BWBR0018329
Geldig vanaf 2006-01-01
Artikel 20
Wet financiële dienstverlening
De toezichthouder kan de voorschriften en beperkingen, bedoeld in de artikelen 11, derde lid, en 18, tweede lid, wijzigen, aanvullen of intrekken, alsnog voorschriften verbinden of beperkingen stellen aan een vergunning of ontheffing, dan wel de vergunning of ontheffing intrekken:
a. op verzoek van de houder;
b. indien de gegevens of bescheiden die zijn verstrekt ter verkrijging van de vergunning of ontheffing zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat de vergunning of ontheffing zou zijn geweigerd, dan wel onder het verbinden van voorschriften of het stellen van beperkingen zou zijn verleend, als bij de behandeling van de aanvraag de juiste gegevens volledig bekend waren geweest;
c. indien zich omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op grond waarvan de vergunning of ontheffing zou zijn geweigerd, dan wel onder het verbinden van voorschriften of het stellen van beperkingen zou zijn verleend, als deze omstandigheden of feiten op het tijdstip waarop de vergunning of ontheffing werd verleend zich hadden voorgedaan of bekend waren geweest;
d. indien de houder in staat van faillissement is komen te verkeren, of indien ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, of indien door een rechterlijke beschikking één of meer goederen van de houder onder een bewind als bedoeld in artikel 380, 409 of 431 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek zijn gesteld, of indien de ondercuratelestelling van de houder is uitgesproken;
e. indien de houder: 1°. binnen een termijn van twaalf maanden na verlening van de vergunning of de ontheffing geen financiële diensten heeft verricht waarop de vergunning of ontheffing betrekking heeft;
2°. het verrichten van financiële diensten waarop de vergunning of ontheffing betrekking heeft gedurende een termijn van meer dan zes maanden heeft gestaakt; of
3°. kennelijk opgehouden heeft financiële dienstverlener te zijn;
1°. binnen een termijn van twaalf maanden na verlening van de vergunning of de ontheffing geen financiële diensten heeft verricht waarop de vergunning of ontheffing betrekking heeft;
2°. het verrichten van financiële diensten waarop de vergunning of ontheffing betrekking heeft gedurende een termijn van meer dan zes maanden heeft gestaakt; of
3°. kennelijk opgehouden heeft financiële dienstverlener te zijn;
f. indien de houder niet voldoet aan bij of krachtens deze wet gestelde regels.
a. op verzoek van de houder;
b. indien de gegevens of bescheiden die zijn verstrekt ter verkrijging van de vergunning of ontheffing zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat de vergunning of ontheffing zou zijn geweigerd, dan wel onder het verbinden van voorschriften of het stellen van beperkingen zou zijn verleend, als bij de behandeling van de aanvraag de juiste gegevens volledig bekend waren geweest;
c. indien zich omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op grond waarvan de vergunning of ontheffing zou zijn geweigerd, dan wel onder het verbinden van voorschriften of het stellen van beperkingen zou zijn verleend, als deze omstandigheden of feiten op het tijdstip waarop de vergunning of ontheffing werd verleend zich hadden voorgedaan of bekend waren geweest;
d. indien de houder in staat van faillissement is komen te verkeren, of indien ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, of indien door een rechterlijke beschikking één of meer goederen van de houder onder een bewind als bedoeld in artikel 380, 409 of 431 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek zijn gesteld, of indien de ondercuratelestelling van de houder is uitgesproken;
e. indien de houder: 1°. binnen een termijn van twaalf maanden na verlening van de vergunning of de ontheffing geen financiële diensten heeft verricht waarop de vergunning of ontheffing betrekking heeft;
2°. het verrichten van financiële diensten waarop de vergunning of ontheffing betrekking heeft gedurende een termijn van meer dan zes maanden heeft gestaakt; of
3°. kennelijk opgehouden heeft financiële dienstverlener te zijn;
1°. binnen een termijn van twaalf maanden na verlening van de vergunning of de ontheffing geen financiële diensten heeft verricht waarop de vergunning of ontheffing betrekking heeft;
2°. het verrichten van financiële diensten waarop de vergunning of ontheffing betrekking heeft gedurende een termijn van meer dan zes maanden heeft gestaakt; of
3°. kennelijk opgehouden heeft financiële dienstverlener te zijn;
f. indien de houder niet voldoet aan bij of krachtens deze wet gestelde regels.