BWBR0018329
Geldig vanaf 2006-01-01
Artikel 65
Wet financiële dienstverlening
1. Onze Minister kan aan de toezichthouder de gegevens of inlichtingen vragen die naar zijn oordeel nodig zijn voor een onderzoek naar de toereikendheid van deze wet of de wijze waarop de toezichthouder deze wet uitvoert of heeft uitgevoerd, indien dat ter wille van het toezicht, bedoeld in artikel 63, nodig blijkt.
2. De toezichthouder verstrekt aan Onze Minister de in het eerste lid bedoelde gegevens of inlichtingen. Indien Onze Minister de toezichthouder vraagt bepaalde gegevens of inlichtingen te verstrekken die onder artikel 84vallen, is de toezichthouder niet verplicht deze gegevens of inlichtingen te verstrekken, indien:
a. deze betrekking hebben op of herleidbaar zijn tot een afzonderlijke rechtspersoon, vennootschap of natuurlijke persoon, met uitzondering van gegevens of inlichtingen die betrekking hebben op of herleidbaar zijn tot een afzonderlijke financiële dienstverlener die in het bezit is van een vergunning als bedoeld in artikel 11 of waarvan die vergunning is ingetrokken of vervallen, tot een afzonderlijke verbonden bemiddelaar of tot een afzonderlijke financiële dienstverlener als bedoeld in artikel 13, eerste lid, en ten aanzien waarvan overeenkomstig artikel 66 van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf, artikel 156 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 of artikel 71 van de Wet toezicht kredietwezen 1992 de noodregeling is uitgesproken, surseance van betaling is verleend of die in staat van faillissement is verklaard, de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard of op grond van een rechterlijke uitspraak is ontbonden;
b. deze betrekking hebben op ondernemingen of instellingen die betrokken zijn of zijn geweest bij een poging een aanbieder in staat te stellen zijn bedrijf voort te zetten; of
c. deze zijn ontvangen van een instantie als bedoeld in artikel 94, eerste lid, of zijn verkregen naar aanleiding van een verificatie bij een in een andere staat gelegen bijkantoor van een in Nederland gevestigde financiële dienstverlener, tenzij de uitdrukkelijke instemming is verkregen van die instantie onderscheidenlijk van de toezichthoudende autoriteit van de staat waar de verificatie ter plaatse is verricht.
3. Onze Minister kan een derde opdragen de gegevens of inlichtingen die hem ingevolge het tweede lid zijn verstrekt te onderzoeken en aan hem verslag uit te brengen. Tevens kan Onze Minister de derde die in zijn opdracht handelt, machtigen namens hem gegevens of inlichtingen in te winnen, in welk geval het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing zijn.
4. Onze Minister gebruikt de gegevens of inlichtingen die hij ingevolge het tweede of derde lid heeft verkregen uitsluitend voor het vormen van zijn oordeel over de toereikendheid van deze wet of de wijze waarop de toezichthouder deze wet uitvoert of heeft uitgevoerd.
5. Onze Minister en degenen die in zijn opdracht handelen zijn verplicht tot geheimhouding van de op grond van het tweede lid, tweede volzin, ontvangen gegevens of inlichtingen. Artikel 84is van toepassing.
6. Niettegenstaande het vierde en vijfde lid kan Onze Minister de aan de gegevens of inlichtingen ontleende bevindingen en de daaruit getrokken conclusies aan de Staten-Generaal mededelen en de conclusies in algemene zin uit het onderzoek openbaar maken.
7. De <a href="/wet/BWBR0005252" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet openbaarheid van bestuur</a>en de <a href="/wet/BWBR0003372" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet Nationale ombudsman</a>zijn niet van toepassing met betrekking tot de in dit artikel bedoelde gegevens of inlichtingen die Onze Minister of de in zijn opdracht werkende derde onder zich heeft.
2. De toezichthouder verstrekt aan Onze Minister de in het eerste lid bedoelde gegevens of inlichtingen. Indien Onze Minister de toezichthouder vraagt bepaalde gegevens of inlichtingen te verstrekken die onder artikel 84vallen, is de toezichthouder niet verplicht deze gegevens of inlichtingen te verstrekken, indien:
a. deze betrekking hebben op of herleidbaar zijn tot een afzonderlijke rechtspersoon, vennootschap of natuurlijke persoon, met uitzondering van gegevens of inlichtingen die betrekking hebben op of herleidbaar zijn tot een afzonderlijke financiële dienstverlener die in het bezit is van een vergunning als bedoeld in artikel 11 of waarvan die vergunning is ingetrokken of vervallen, tot een afzonderlijke verbonden bemiddelaar of tot een afzonderlijke financiële dienstverlener als bedoeld in artikel 13, eerste lid, en ten aanzien waarvan overeenkomstig artikel 66 van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf, artikel 156 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 of artikel 71 van de Wet toezicht kredietwezen 1992 de noodregeling is uitgesproken, surseance van betaling is verleend of die in staat van faillissement is verklaard, de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard of op grond van een rechterlijke uitspraak is ontbonden;
b. deze betrekking hebben op ondernemingen of instellingen die betrokken zijn of zijn geweest bij een poging een aanbieder in staat te stellen zijn bedrijf voort te zetten; of
c. deze zijn ontvangen van een instantie als bedoeld in artikel 94, eerste lid, of zijn verkregen naar aanleiding van een verificatie bij een in een andere staat gelegen bijkantoor van een in Nederland gevestigde financiële dienstverlener, tenzij de uitdrukkelijke instemming is verkregen van die instantie onderscheidenlijk van de toezichthoudende autoriteit van de staat waar de verificatie ter plaatse is verricht.
3. Onze Minister kan een derde opdragen de gegevens of inlichtingen die hem ingevolge het tweede lid zijn verstrekt te onderzoeken en aan hem verslag uit te brengen. Tevens kan Onze Minister de derde die in zijn opdracht handelt, machtigen namens hem gegevens of inlichtingen in te winnen, in welk geval het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing zijn.
4. Onze Minister gebruikt de gegevens of inlichtingen die hij ingevolge het tweede of derde lid heeft verkregen uitsluitend voor het vormen van zijn oordeel over de toereikendheid van deze wet of de wijze waarop de toezichthouder deze wet uitvoert of heeft uitgevoerd.
5. Onze Minister en degenen die in zijn opdracht handelen zijn verplicht tot geheimhouding van de op grond van het tweede lid, tweede volzin, ontvangen gegevens of inlichtingen. Artikel 84is van toepassing.
6. Niettegenstaande het vierde en vijfde lid kan Onze Minister de aan de gegevens of inlichtingen ontleende bevindingen en de daaruit getrokken conclusies aan de Staten-Generaal mededelen en de conclusies in algemene zin uit het onderzoek openbaar maken.
7. De <a href="/wet/BWBR0005252" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet openbaarheid van bestuur</a>en de <a href="/wet/BWBR0003372" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet Nationale ombudsman</a>zijn niet van toepassing met betrekking tot de in dit artikel bedoelde gegevens of inlichtingen die Onze Minister of de in zijn opdracht werkende derde onder zich heeft.