BWBR0018329
Geldig vanaf 2006-01-01
Artikel 71
Wet financiële dienstverlening
1. Indien naar het oordeel van de toezichthouder niet of onvoldoende gevolg is gegeven aan een aanwijzing als bedoeld in artikel 70, kan de toezichthouder, indien hij dit met het oog op het adequaat functioneren van de financiële markten en het vertrouwen van de consument daarin noodzakelijk acht, de financiële dienstverlener met een vergunning, bedoeld in artikel 11, schriftelijk aanzeggen, dat vanaf een bepaald tijdstip alle of bepaalde organen van de financiële dienstverlener hun bevoegdheden slechts mogen uitoefenen na goedkeuring van door een of meer door de toezichthouder aangewezen personen en met inachtneming van de opdrachten van deze personen, welke aanzegging terstond van kracht wordt.
2. De in het eerste lid bedoelde aanzegging kan ook zonder voorafgaande aanwijzing worden gedaan indien de toezichthouder oordeelt dat ten aanzien van de betreffende financiële dienstverlener onverwijld maatregelen noodzakelijk zijn, nadat hij de financiële dienstverlener in de gelegenheid heeft gesteld zijn mening over de onmiddellijke uitvoering te geven.
3. Met betrekking tot een aanzegging, bedoeld in het eerste of tweede lid, is het volgende van toepassing:
a. de organen van de financiële dienstverlener verlenen de door de toezichthouder aangewezen personen alle medewerking;
b. de toezichthouder kan de betrokken organen van de financiële dienstverlener toestaan bepaalde handelingen zonder machtiging te verrichten;
c. de door de toezichthouder aangewezen personen oefenen hun bevoegdheden uit gedurende ten hoogste twee jaren na de aanzegging, bedoeld in het eerste lid, behoudens de bevoegdheid van de toezichthouder om deze termijn telkens voor ten hoogste een jaar te verlengen, welke verlenging terstond van kracht wordt;
d. de toezichthouder kan te allen tijde de door hem aangewezen personen vervangen;
e. voor schade ten gevolge van handelingen, welke zijn verricht in strijd met een aanzegging als bedoeld in het eerste lid, zijn degenen die deel uit maken van het orgaan van de financiële dienstverlener dat deze handelingen verrichtte, persoonlijk aansprakelijk tegenover de financiële dienstverlener; de financiële dienstverlener kan de ongeldigheid van deze handelingen inroepen, indien de wederpartij wist dat de vereiste goedkeuring ontbrak of daarvan redelijkerwijs niet onkundig kon zijn;
f. zodra de toezichthouder van oordeel is dat de naleving van de regels, bedoeld in artikel 70, eerste lid, voldoende is gewaarborgd, beslist hij dat de betrokken organen van de financiële dienstverlener hun bevoegdheden weer onbeperkt kunnen uitoefenen.
4. Het eerste tot en met het derde lid zijn niet van toepassing op de financiële dienstverleners, bedoeld in de artikelen 13, 14en 15.
2. De in het eerste lid bedoelde aanzegging kan ook zonder voorafgaande aanwijzing worden gedaan indien de toezichthouder oordeelt dat ten aanzien van de betreffende financiële dienstverlener onverwijld maatregelen noodzakelijk zijn, nadat hij de financiële dienstverlener in de gelegenheid heeft gesteld zijn mening over de onmiddellijke uitvoering te geven.
3. Met betrekking tot een aanzegging, bedoeld in het eerste of tweede lid, is het volgende van toepassing:
a. de organen van de financiële dienstverlener verlenen de door de toezichthouder aangewezen personen alle medewerking;
b. de toezichthouder kan de betrokken organen van de financiële dienstverlener toestaan bepaalde handelingen zonder machtiging te verrichten;
c. de door de toezichthouder aangewezen personen oefenen hun bevoegdheden uit gedurende ten hoogste twee jaren na de aanzegging, bedoeld in het eerste lid, behoudens de bevoegdheid van de toezichthouder om deze termijn telkens voor ten hoogste een jaar te verlengen, welke verlenging terstond van kracht wordt;
d. de toezichthouder kan te allen tijde de door hem aangewezen personen vervangen;
e. voor schade ten gevolge van handelingen, welke zijn verricht in strijd met een aanzegging als bedoeld in het eerste lid, zijn degenen die deel uit maken van het orgaan van de financiële dienstverlener dat deze handelingen verrichtte, persoonlijk aansprakelijk tegenover de financiële dienstverlener; de financiële dienstverlener kan de ongeldigheid van deze handelingen inroepen, indien de wederpartij wist dat de vereiste goedkeuring ontbrak of daarvan redelijkerwijs niet onkundig kon zijn;
f. zodra de toezichthouder van oordeel is dat de naleving van de regels, bedoeld in artikel 70, eerste lid, voldoende is gewaarborgd, beslist hij dat de betrokken organen van de financiële dienstverlener hun bevoegdheden weer onbeperkt kunnen uitoefenen.
4. Het eerste tot en met het derde lid zijn niet van toepassing op de financiële dienstverleners, bedoeld in de artikelen 13, 14en 15.