BWBR0018329
Geldig vanaf 2006-01-01
Artikel 19
Wet financiële dienstverlening
1. De vergunning of de ontheffing vervalt, behoudens het bepaalde in het tweede lid:
a. door overlijden van de houder;
b. indien de rechtspersoon waaraan de vergunning of ontheffing is verleend ophoudt te bestaan.
2. Indien zich een van de in het eerste lid bedoelde feiten of omstandigheden voordoet ten aanzien van een van de aangesloten instellingen als bedoeld in artikel 16, dan wel de aansluiting van een dergelijke instelling is beëindigd, vervalt de werking van de vergunning ten behoeve van de betrokken instelling. Indien zich de in het eerste lid, onder b, bedoelde omstandigheid voordoet ten aanzien van de in artikel 16genoemde rechtspersoon zelf, vervalt de vergunning in haar geheel.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op de financiële dienstverlener die beschikt over een vergunning op grond van de artikelen 14of 15. Een zodanige vergunning vervalt zodra:
a. de inschrijving, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onder a, b of c, vervalt;
b. van het besluit tot intrekking van een vergunning als bedoeld in artikel 14, eerste lid, onder d, mededeling is gedaan in de Staatscourant overeenkomstig artikel 150, tweede lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993;
c. van het besluit tot intrekking van een vergunning als bedoeld in artikel 14, eerste lid, onder e, mededeling is gedaan in de Staatscourant overeenkomstig artikel 61, tweede lid, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf.
4. Indien op grond van het eerste of tweede lid een vergunning, dan wel de werking daarvan ten behoeve van een aangesloten instelling, vervalt, en de onderneming waarvoor de vergunning werd verleend, onderscheidenlijk waarvoor de vergunning mede geldt, aan een andere natuurlijke persoon of rechtspersoon is overgedragen of op een andere natuurlijke persoon of rechtspersoon is overgegaan, blijft de vergunning voor deze andere natuurlijke persoon of rechtspersoon gelden gedurende twee maanden na de dag waarop ingevolge het eerste of tweede lid de vergunning, dan wel de werking daarvan, zou vervallen en, indien binnen die periode door die natuurlijke of rechtspersoon een nieuwe vergunning is aangevraagd, daarna tot het tijdstip waarop de beslissing op de aanvraag onherroepelijk is geworden.
a. door overlijden van de houder;
b. indien de rechtspersoon waaraan de vergunning of ontheffing is verleend ophoudt te bestaan.
2. Indien zich een van de in het eerste lid bedoelde feiten of omstandigheden voordoet ten aanzien van een van de aangesloten instellingen als bedoeld in artikel 16, dan wel de aansluiting van een dergelijke instelling is beëindigd, vervalt de werking van de vergunning ten behoeve van de betrokken instelling. Indien zich de in het eerste lid, onder b, bedoelde omstandigheid voordoet ten aanzien van de in artikel 16genoemde rechtspersoon zelf, vervalt de vergunning in haar geheel.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op de financiële dienstverlener die beschikt over een vergunning op grond van de artikelen 14of 15. Een zodanige vergunning vervalt zodra:
a. de inschrijving, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onder a, b of c, vervalt;
b. van het besluit tot intrekking van een vergunning als bedoeld in artikel 14, eerste lid, onder d, mededeling is gedaan in de Staatscourant overeenkomstig artikel 150, tweede lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993;
c. van het besluit tot intrekking van een vergunning als bedoeld in artikel 14, eerste lid, onder e, mededeling is gedaan in de Staatscourant overeenkomstig artikel 61, tweede lid, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf.
4. Indien op grond van het eerste of tweede lid een vergunning, dan wel de werking daarvan ten behoeve van een aangesloten instelling, vervalt, en de onderneming waarvoor de vergunning werd verleend, onderscheidenlijk waarvoor de vergunning mede geldt, aan een andere natuurlijke persoon of rechtspersoon is overgedragen of op een andere natuurlijke persoon of rechtspersoon is overgegaan, blijft de vergunning voor deze andere natuurlijke persoon of rechtspersoon gelden gedurende twee maanden na de dag waarop ingevolge het eerste of tweede lid de vergunning, dan wel de werking daarvan, zou vervallen en, indien binnen die periode door die natuurlijke of rechtspersoon een nieuwe vergunning is aangevraagd, daarna tot het tijdstip waarop de beslissing op de aanvraag onherroepelijk is geworden.