BWBR0009201
Geldig vanaf 1998-01-15
Artikel 67
Uitvoeringsregeling lozingenbesluit bodembescherming
1. Een infiltratiekanaal bestaat uit ten minste twee kanaaleenheden die elk één drainleiding bevatten.
2. De drainleidingen moeten elk zijn omgeven met een laag grof grind zodanig dat aan de boven- en onderzijde van de leidingen een laag van ten minste 10 cm aanwezig is.
3. Het grindpakket en de drainleidingen moeten zijn afgedekt met een grondlaag van ten minste 50 cm.
4. Tussen de grondlaag en de grindlaag moet een scheidingslaag worden aangebracht, die:
a. water- en luchtdoorlatend is en
b. transport van vaste deeltjes voorkomt.
5. De benedenstroomse uiteinden van de drainleidingen moeten:
a. voorzien zijn van ontluchtingspijpen bij aanvoer onder vrij verval, dan wel
b. afgesloten zijn bij aanvoer onder druk, waarbij het achtervlak aan de bovenzijde is voorzien van een ontluchtingsgat met een diameter van 1 cm.
2. De drainleidingen moeten elk zijn omgeven met een laag grof grind zodanig dat aan de boven- en onderzijde van de leidingen een laag van ten minste 10 cm aanwezig is.
3. Het grindpakket en de drainleidingen moeten zijn afgedekt met een grondlaag van ten minste 50 cm.
4. Tussen de grondlaag en de grindlaag moet een scheidingslaag worden aangebracht, die:
a. water- en luchtdoorlatend is en
b. transport van vaste deeltjes voorkomt.
5. De benedenstroomse uiteinden van de drainleidingen moeten:
a. voorzien zijn van ontluchtingspijpen bij aanvoer onder vrij verval, dan wel
b. afgesloten zijn bij aanvoer onder druk, waarbij het achtervlak aan de bovenzijde is voorzien van een ontluchtingsgat met een diameter van 1 cm.