BWBR0009201
Geldig vanaf 1998-01-15
Artikel 62
Uitvoeringsregeling lozingenbesluit bodembescherming
1. Op grond van de gegevens uit de grondboringen als bedoeld in artikel 59, eerste lid, dan wel artikel 61, tweede lid, moeten de dikte en de diepte van de grondlaag dan wel de grondlagen worden vastgesteld.
2. Van elke grondlaag moet worden bepaald:
a. het leemgehalte,
b. het lutumgehalte,
c. het organische-stofgehalte in gewichtsprocenten van de grond, en
d. de mediaan van de zandfractie.
3. Op grond van de gegevens uit de grondboringen moet worden vastgesteld op welke diepte de grens tussen boven- en ondergrond zich bevindt.
4. De indeling van de grondlaag dan wel de grondlagen moet plaatsvinden met behulp van de bij deze regeling behorende bijlage 2.
5. Indien op grond van de gegevens uit de grondboringen de grens tussen boven- en ondergrond niet is vast te stellen, moet bij de indeling van de grondlaag dan wel de grondlagen, worden uitgegaan van de ondergrond.
2. Van elke grondlaag moet worden bepaald:
a. het leemgehalte,
b. het lutumgehalte,
c. het organische-stofgehalte in gewichtsprocenten van de grond, en
d. de mediaan van de zandfractie.
3. Op grond van de gegevens uit de grondboringen moet worden vastgesteld op welke diepte de grens tussen boven- en ondergrond zich bevindt.
4. De indeling van de grondlaag dan wel de grondlagen moet plaatsvinden met behulp van de bij deze regeling behorende bijlage 2.
5. Indien op grond van de gegevens uit de grondboringen de grens tussen boven- en ondergrond niet is vast te stellen, moet bij de indeling van de grondlaag dan wel de grondlagen, worden uitgegaan van de ondergrond.