BWBR0009201
Geldig vanaf 1998-01-15
Artikel 36
Uitvoeringsregeling lozingenbesluit bodembescherming
1. De aanvoerdrainleidingen, minimaal twee stuks, gelegen boven het filterzandpakket, moeten zijn omgeven met een laag grof grind, zodanig dat zowel aan de boven- als aan de onderzijde van de leidingen een laag van ten minste 10 cm aanwezig is.
2. Het aanvoersysteem moet zodanig zijn uitgevoerd dat het aangevoerde afvalwater gelijkmatig over het filteroppervlak kan worden verspreid.
3. De onderlinge afstand tussen de aanvoerdrainleidingen moet ten minste 1 meter bedragen.
4. De lengte van de aanvoerdrainleidingen mag ten hoogste 30 meter zijn.
5. De benedenstroomse uiteinden van de aanvoerdrainleidingen moeten zijn afgesloten. Het achtervlak moet aan de bovenzijde voorzien zijn van een ontluchtingsgat met een diameter van 1 cm.
2. Het aanvoersysteem moet zodanig zijn uitgevoerd dat het aangevoerde afvalwater gelijkmatig over het filteroppervlak kan worden verspreid.
3. De onderlinge afstand tussen de aanvoerdrainleidingen moet ten minste 1 meter bedragen.
4. De lengte van de aanvoerdrainleidingen mag ten hoogste 30 meter zijn.
5. De benedenstroomse uiteinden van de aanvoerdrainleidingen moeten zijn afgesloten. Het achtervlak moet aan de bovenzijde voorzien zijn van een ontluchtingsgat met een diameter van 1 cm.