BWBR0009201
Geldig vanaf 1998-01-15
Artikel 66
Uitvoeringsregeling lozingenbesluit bodembescherming
1. Indien uit de grondboringen tot 6 meter beneden het bodemoppervlak, bedoeld in artikel 60, eerste lid, dan wel uit de grondboring tot 10 meter beneden het bodemoppervlak, bedoeld in artikel 61, vierde lid, blijkt dat één of meer grondlagen, gelegen in het gedeelte van de bodem beneden de onderzijde van de infiltratievoorziening, zodanige eigenschappen bezitten dat moet worden aangenomen dat de afvoer van het geïnfiltreerde huishoudelijk afvalwater onvoldoende kan plaatsvinden dan wel tot een niet toelaatbare verhoging van de grondwaterstand zal leiden, moet de doorlatendheid van dat gedeelte van de bodem worden bepaald.
2. Indien de doorlatendheid van één of meer grondlagen gelegen in het gedeelte van de bodem, bedoeld in het eerste lid, kleiner is dan de hydraulische ontwerpbelasting, bedoeld in artikel 65, tweede lid, moet de hydraulische ontwerpbelasting zodanig worden verkleind dat deze in overeenstemming is met de waarde van de doorlatendheid van het gedeelte van de bodem als bedoeld in het eerste lid.
2. Indien de doorlatendheid van één of meer grondlagen gelegen in het gedeelte van de bodem, bedoeld in het eerste lid, kleiner is dan de hydraulische ontwerpbelasting, bedoeld in artikel 65, tweede lid, moet de hydraulische ontwerpbelasting zodanig worden verkleind dat deze in overeenstemming is met de waarde van de doorlatendheid van het gedeelte van de bodem als bedoeld in het eerste lid.