BWBR0009201
Geldig vanaf 1998-01-15
Artikel 51
Uitvoeringsregeling lozingenbesluit bodembescherming
1. De rotor en het bassin waarin de rotor ronddraait, moeten zodanig zijn uitgevoerd, dat in het bassin geen hydraulisch dode ruimten dan wel kortsluitstromen kunnen ontstaan.
2. Het contact tussen het dragermateriaal en het afvalwater moet zodanig zijn dat het overschot aan biomassa op het drageroppervlak met de waterstroom kan worden afgevoerd.
3. Indien het biorotorbassin in meerdere compartimenten is opgedeeld moet een ongehinderde doorvoer van afvalwater en overschot aan biomassa kunnen plaatsvinden.
4. De biorotor moet zijn voorzien van een verwijderbare, ondoorzichtige overkapping.
2. Het contact tussen het dragermateriaal en het afvalwater moet zodanig zijn dat het overschot aan biomassa op het drageroppervlak met de waterstroom kan worden afgevoerd.
3. Indien het biorotorbassin in meerdere compartimenten is opgedeeld moet een ongehinderde doorvoer van afvalwater en overschot aan biomassa kunnen plaatsvinden.
4. De biorotor moet zijn voorzien van een verwijderbare, ondoorzichtige overkapping.