BWBR0009201
Geldig vanaf 1998-01-15
Artikel 60
Uitvoeringsregeling lozingenbesluit bodembescherming
1. Van de grondboringen, bedoeld in artikel 59, eerste lid, moeten ten minste worden uitgevoerd:
a. tot 25 lozingseenheden: 4 grondboringen tot 2 meter en 2 grondboringen tot 6 meter beneden het bodemoppervlak;
b. van 25 tot 50 lozingseenheden: 6 grondboringen tot 2 meter en 2 grondboringen tot 6 meter beneden het bodemoppervlak;
c. van 50 tot 100 lozingseenheden: 8 grondboringen tot 2 meter en 3 grondboringen tot 6 meter beneden het bodemoppervlak;
d. van 100 tot en met 200 lozingseenheden: 10 grondboringen tot 2 meter en 5 grondboringen tot 6 meter beneden het bodemoppervlak.
2. Ten minste één van de grondboringen tot 6 meter beneden het bodemoppervlak moet worden gebruikt voor het plaatsen van een peilbuis.
3. Het plaatsen van een peilbuis, als bedoeld in het tweede lid, kan achterwege blijven indien de grondwaterstand dieper dan 6 meter beneden het bodemoppervlak is gelegen.
a. tot 25 lozingseenheden: 4 grondboringen tot 2 meter en 2 grondboringen tot 6 meter beneden het bodemoppervlak;
b. van 25 tot 50 lozingseenheden: 6 grondboringen tot 2 meter en 2 grondboringen tot 6 meter beneden het bodemoppervlak;
c. van 50 tot 100 lozingseenheden: 8 grondboringen tot 2 meter en 3 grondboringen tot 6 meter beneden het bodemoppervlak;
d. van 100 tot en met 200 lozingseenheden: 10 grondboringen tot 2 meter en 5 grondboringen tot 6 meter beneden het bodemoppervlak.
2. Ten minste één van de grondboringen tot 6 meter beneden het bodemoppervlak moet worden gebruikt voor het plaatsen van een peilbuis.
3. Het plaatsen van een peilbuis, als bedoeld in het tweede lid, kan achterwege blijven indien de grondwaterstand dieper dan 6 meter beneden het bodemoppervlak is gelegen.