BWBR0009201
Geldig vanaf 1998-01-15
Artikel 63
Uitvoeringsregeling lozingenbesluit bodembescherming
1. Tussen 1 februari en 1 mei moet in de peilbuis, bedoeld in artikel 60, tweede lid, dan wel bedoeld in artikel 61, vijfde lid, ten minste tweemaal per maand de grondwaterstand worden gemeten.
2. De gemiddeld hoogste grondwaterstand moet worden vastgesteld door de resultaten van de metingen, bedoeld in het eerste lid, te vergelijken met gegevens van de grondwaterstand in het tijdvak, bedoeld in het eerste lid, van het meest nabijgelegen meetpunt dat is opgenomen in het Archief van grondwaterstanden van TNO waarvan de gemiddeld hoogste grondwaterstand over de voorafgaande periode bekend is of berekend kan worden.
3. Bij de vergelijking, bedoeld in het tweede lid, moet tevens gebruik worden gemaakt van een of meer bodemkundige profielbeschrijvingen ter plaatse van de aanleg van de infiltratievoorziening.
4. Indien de grondwaterstand dieper dan 6 meter, en in het geval van een zakput, dieper dan 10 meter beneden het bodemoppervlak is gelegen, dan geldt als de gemiddeld hoogste grondwater-stand het niveau van 6 meter, en in het geval van een zakput het niveau van 10 meter, beneden het bodemoppervlak.
5. Het bevoegd gezag kan op daartoe strekkende aanvraag bepalen dat in afwijking van het eerste, tweede, derde en vierde lid de gemiddeld hoogste grondwaterstand die ter plaatse in de 5 jaar voorafgaand aan de lozing in de bodem voor andere doeleinden is vastgesteld geldt als de gemiddeld hoogste grondwaterstand.
2. De gemiddeld hoogste grondwaterstand moet worden vastgesteld door de resultaten van de metingen, bedoeld in het eerste lid, te vergelijken met gegevens van de grondwaterstand in het tijdvak, bedoeld in het eerste lid, van het meest nabijgelegen meetpunt dat is opgenomen in het Archief van grondwaterstanden van TNO waarvan de gemiddeld hoogste grondwaterstand over de voorafgaande periode bekend is of berekend kan worden.
3. Bij de vergelijking, bedoeld in het tweede lid, moet tevens gebruik worden gemaakt van een of meer bodemkundige profielbeschrijvingen ter plaatse van de aanleg van de infiltratievoorziening.
4. Indien de grondwaterstand dieper dan 6 meter, en in het geval van een zakput, dieper dan 10 meter beneden het bodemoppervlak is gelegen, dan geldt als de gemiddeld hoogste grondwater-stand het niveau van 6 meter, en in het geval van een zakput het niveau van 10 meter, beneden het bodemoppervlak.
5. Het bevoegd gezag kan op daartoe strekkende aanvraag bepalen dat in afwijking van het eerste, tweede, derde en vierde lid de gemiddeld hoogste grondwaterstand die ter plaatse in de 5 jaar voorafgaand aan de lozing in de bodem voor andere doeleinden is vastgesteld geldt als de gemiddeld hoogste grondwaterstand.