BWBR0049842
Geldig vanaf 2025-01-28
Artikel 2.3.7a
Tijdelijke subsidieregeling zero-emissie mobiliteit
1. Het subsidieplafond bedraagt voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.3.3, eerste lid, onderdeel a, voor het jaar 2025 € 500.000.
2. Voor OV-concessiehouders en touringcarbedrijven bedraagt het subsidieplafond voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.3.3, eerste lid, onderdeel b, en artikel 2.3.3, vierde lid, voor het jaar 2025 € 9.000.000.
3. Voor andere aanvragers dan OV-concessiehouders of touringcarbedrijven bedraagt het subsidieplafond voor het jaar 2025:
a. voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.3.3, eerste lid, onderdeel b: 1°. € 10.000.000 voor de aanleg van laadinfrastructuur die AC laadstations betreft;
2°. € 31.552.000 voor de aanleg van laadinfrastructuur die DC laadstations betreft;
1°. € 10.000.000 voor de aanleg van laadinfrastructuur die AC laadstations betreft;
2°. € 31.552.000 voor de aanleg van laadinfrastructuur die DC laadstations betreft;
b. voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.3.3, vierde lid: € 10.400.000, voor aanvragen die uiterlijk 28 maart 2025 zijn ingediend.
4. De Minister verdeelt het beschikbare bedrag op volgorde van binnenkomst van de aanvragen, waarbij geldt dat aanvragen als bedoeld in artikel 2.3.7, vijfde lid, voorrang hebben op overige aanvragen.
5. Voor een volledige aanvraag als bedoeld in artikel 2.3.11die in 2025 is ingediend op de dag dat of nadat het subsidieplafond is bereikt, en die na de loting bedoeld in artikel 8, derde lid, onderdeel b van het Kaderbesluitgeen subsidie ontvangt, geldt als datum van indiening de eerste dag waarop in het daaropvolgende jaar een aanvraag kan worden gedaan.
6. In afwijking van het vierde lid vindt, indien een gevraagde subsidie niet geheel doch voor ten minste 70 procent kan worden verstrekt omdat een subsidieplafond bijna is bereikt, overleg plaats met de aanvrager.
2. Voor OV-concessiehouders en touringcarbedrijven bedraagt het subsidieplafond voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.3.3, eerste lid, onderdeel b, en artikel 2.3.3, vierde lid, voor het jaar 2025 € 9.000.000.
3. Voor andere aanvragers dan OV-concessiehouders of touringcarbedrijven bedraagt het subsidieplafond voor het jaar 2025:
a. voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.3.3, eerste lid, onderdeel b: 1°. € 10.000.000 voor de aanleg van laadinfrastructuur die AC laadstations betreft;
2°. € 31.552.000 voor de aanleg van laadinfrastructuur die DC laadstations betreft;
1°. € 10.000.000 voor de aanleg van laadinfrastructuur die AC laadstations betreft;
2°. € 31.552.000 voor de aanleg van laadinfrastructuur die DC laadstations betreft;
b. voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.3.3, vierde lid: € 10.400.000, voor aanvragen die uiterlijk 28 maart 2025 zijn ingediend.
4. De Minister verdeelt het beschikbare bedrag op volgorde van binnenkomst van de aanvragen, waarbij geldt dat aanvragen als bedoeld in artikel 2.3.7, vijfde lid, voorrang hebben op overige aanvragen.
5. Voor een volledige aanvraag als bedoeld in artikel 2.3.11die in 2025 is ingediend op de dag dat of nadat het subsidieplafond is bereikt, en die na de loting bedoeld in artikel 8, derde lid, onderdeel b van het Kaderbesluitgeen subsidie ontvangt, geldt als datum van indiening de eerste dag waarop in het daaropvolgende jaar een aanvraag kan worden gedaan.
6. In afwijking van het vierde lid vindt, indien een gevraagde subsidie niet geheel doch voor ten minste 70 procent kan worden verstrekt omdat een subsidieplafond bijna is bereikt, overleg plaats met de aanvrager.