BWBR0049842
Geldig vanaf 2025-01-28
Artikel 2.3.7
Tijdelijke subsidieregeling zero-emissie mobiliteit
1. Het subsidieplafond bedraagt voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.3.3, eerste lid, voor het jaar 2024:
a. € 9.900.000 voor advisering en voor de aanleg van laadinfrastructuur die AC laadstations betreft;
b. € 23.842.000 voor advisering en voor de aanleg van laadinfrastructuur die DC laadstations voor andere aanvragers dan OV-concessiehouders of touringcarbedrijven betreft;
c. € 3.480.000 voor advisering en voor de aanleg van laadinfrastructuur die DC laadstations voor OV-concessiehouders of touringcarbedrijven betreft.
2. In aanvulling op het eerste lid geldt dat de Minister in totaal ten hoogste 400 subsidies verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.3.3, eerste lid, onderdeel a.
3. Het subsidieplafond bedraagt voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.3.3, vierde lid, voor het jaar 2024:
a. € 4.500.000 voor investeringen in een stationaire batterij voor andere aanvragers dan OV-concessiehouders of touringcarbedrijven;
b. € 800.000 voor investeringen in een stationaire batterij voor OV-concessiehouders of touringcarbedrijven.
4. De Minister verdeelt het beschikbare bedrag op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.
5. In afwijking van het vierde lid geldt voor een volledige aanvraag voor een subsidie van minder dan € 25.000 die is ingediend op de dag dat of nadat het subsidieplafond voor het betreffende jaar is bereikt, en die na de loting bedoeld in artikel 8, derde lid, onderdeel b van het Kaderbesluitgeen subsidie ontvangt, als datum van indiening de eerste dag waarop in het daaropvolgende jaar een aanvraag kan worden gedaan.
6. In afwijking van het vierde lid vindt, indien een gevraagde subsidie niet geheel doch voor ten minste 70 procent kan worden verstrekt omdat het subsidieplafond, bedoeld in het eerste lid, bijna is bereikt, overleg plaats met de aanvrager.
a. € 9.900.000 voor advisering en voor de aanleg van laadinfrastructuur die AC laadstations betreft;
b. € 23.842.000 voor advisering en voor de aanleg van laadinfrastructuur die DC laadstations voor andere aanvragers dan OV-concessiehouders of touringcarbedrijven betreft;
c. € 3.480.000 voor advisering en voor de aanleg van laadinfrastructuur die DC laadstations voor OV-concessiehouders of touringcarbedrijven betreft.
2. In aanvulling op het eerste lid geldt dat de Minister in totaal ten hoogste 400 subsidies verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.3.3, eerste lid, onderdeel a.
3. Het subsidieplafond bedraagt voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.3.3, vierde lid, voor het jaar 2024:
a. € 4.500.000 voor investeringen in een stationaire batterij voor andere aanvragers dan OV-concessiehouders of touringcarbedrijven;
b. € 800.000 voor investeringen in een stationaire batterij voor OV-concessiehouders of touringcarbedrijven.
4. De Minister verdeelt het beschikbare bedrag op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.
5. In afwijking van het vierde lid geldt voor een volledige aanvraag voor een subsidie van minder dan € 25.000 die is ingediend op de dag dat of nadat het subsidieplafond voor het betreffende jaar is bereikt, en die na de loting bedoeld in artikel 8, derde lid, onderdeel b van het Kaderbesluitgeen subsidie ontvangt, als datum van indiening de eerste dag waarop in het daaropvolgende jaar een aanvraag kan worden gedaan.
6. In afwijking van het vierde lid vindt, indien een gevraagde subsidie niet geheel doch voor ten minste 70 procent kan worden verstrekt omdat het subsidieplafond, bedoeld in het eerste lid, bijna is bereikt, overleg plaats met de aanvrager.