BWBR0049842
Geldig vanaf 2025-01-28
Artikel 2.3.3
Tijdelijke subsidieregeling zero-emissie mobiliteit
1. De Minister kan op grond van deze paragraaf subsidie verstrekken voor:
a. advisering door een bij de Kamer van Koophandel ingeschreven onderneming over de realisatie van private laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen die niet te allen tijde voor het publiek toegankelijk is; of
b. investeringen in de aanleg van in Nederland gelegen nieuwe private laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen die niet te allen tijde voor het publiek toegankelijk is.
2. De advisering bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, bestaat uit een na 1 april 2024 opgesteld advies dat ten minste de volgende elementen bevat:
a. het huidig elektriciteitsverbruiksprofiel van de locatie, en de verwachte groei van het elektrische wagenpark van de aanvrager, diens klanten of huurders;
b. het aantal benodigde laadpunten, type laadstation dat past bij de laadvraag van het elektrisch wagenpark passend bij de bedrijfsvoering en de verwachte investeringskosten van de laadinfrastructuur, uitgewerkt als de totale kosten voor het laden waarin ook operationele kosten zijn meegenomen;
c. de voorziene netcapaciteit, de grootte van de benodigde netaansluiting en, bij ontbreken van voldoende netcapaciteit, de verwachte duur tot realisatie of aanpassing van de netaansluiting; en
d. een situatietekening waarin de fysieke inpassing van de laadinfrastructuur is weergegeven.
3. De laadinfrastructuur bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, bestaat uit een of meer laadstations en bevat ten minste:
a. een of meer DC laadstations met een vermogen vanaf 20 kW bestaande uit ten minste een laadpunt; of
b. een of meer AC laadstations met een vermogen van minimaal 11 kW, mogelijk in combinatie met de basislaadinfrastructuur, bestaande uit het totaal van de infrastructuur behorende bij het laadpunt, waaronder de hoofdaansluiting en de bekabeling, waarop laadpunten die voldoen aan mode 3 of mode 4 als bedoeld in NEN 1010 kunnen worden aangesloten.
4. De Minister kan in combinatie met de subsidie bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, subsidie verstrekken voor een investering in een in Nederland geplaatste stationaire batterij tot een maximum van 1.000 kWh per laadlocatie indien:
a. de subsidie voor de activiteiten in totaal ten minste € 25.000 bedraagt; en
b. de benodigde netcapaciteit voor de te realiseren laadstations meer dan 50% is van het maximaal beschikbare vermogen op de huidige aansluiting, zoals blijkt uit het contract bedoeld in artikel 2.3.12, eerste lid, onderdeel f.
5. De stationaire batterij, bedoeld in het vierde lid, heeft een maximale hardwarematige C-waarde van 0,25, tenzij:
a. deze is geïntegreerd in het laadstation; of
b. de subsidie wordt aangevraagd door OV-concessiehouders.
a. advisering door een bij de Kamer van Koophandel ingeschreven onderneming over de realisatie van private laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen die niet te allen tijde voor het publiek toegankelijk is; of
b. investeringen in de aanleg van in Nederland gelegen nieuwe private laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen die niet te allen tijde voor het publiek toegankelijk is.
2. De advisering bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, bestaat uit een na 1 april 2024 opgesteld advies dat ten minste de volgende elementen bevat:
a. het huidig elektriciteitsverbruiksprofiel van de locatie, en de verwachte groei van het elektrische wagenpark van de aanvrager, diens klanten of huurders;
b. het aantal benodigde laadpunten, type laadstation dat past bij de laadvraag van het elektrisch wagenpark passend bij de bedrijfsvoering en de verwachte investeringskosten van de laadinfrastructuur, uitgewerkt als de totale kosten voor het laden waarin ook operationele kosten zijn meegenomen;
c. de voorziene netcapaciteit, de grootte van de benodigde netaansluiting en, bij ontbreken van voldoende netcapaciteit, de verwachte duur tot realisatie of aanpassing van de netaansluiting; en
d. een situatietekening waarin de fysieke inpassing van de laadinfrastructuur is weergegeven.
3. De laadinfrastructuur bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, bestaat uit een of meer laadstations en bevat ten minste:
a. een of meer DC laadstations met een vermogen vanaf 20 kW bestaande uit ten minste een laadpunt; of
b. een of meer AC laadstations met een vermogen van minimaal 11 kW, mogelijk in combinatie met de basislaadinfrastructuur, bestaande uit het totaal van de infrastructuur behorende bij het laadpunt, waaronder de hoofdaansluiting en de bekabeling, waarop laadpunten die voldoen aan mode 3 of mode 4 als bedoeld in NEN 1010 kunnen worden aangesloten.
4. De Minister kan in combinatie met de subsidie bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, subsidie verstrekken voor een investering in een in Nederland geplaatste stationaire batterij tot een maximum van 1.000 kWh per laadlocatie indien:
a. de subsidie voor de activiteiten in totaal ten minste € 25.000 bedraagt; en
b. de benodigde netcapaciteit voor de te realiseren laadstations meer dan 50% is van het maximaal beschikbare vermogen op de huidige aansluiting, zoals blijkt uit het contract bedoeld in artikel 2.3.12, eerste lid, onderdeel f.
5. De stationaire batterij, bedoeld in het vierde lid, heeft een maximale hardwarematige C-waarde van 0,25, tenzij:
a. deze is geïntegreerd in het laadstation; of
b. de subsidie wordt aangevraagd door OV-concessiehouders.