BWBR0049842
Geldig vanaf 2025-01-28
Artikel 2.3.11
Tijdelijke subsidieregeling zero-emissie mobiliteit
1. Indien de aangevraagde subsidie minder dan € 25.000 bedraagt, wordt de aanvraag voor de subsidiabele activiteit bedoeld in artikel 2.3.3, eerste lid, onderdeel b, ingediend binnen 13 weken na de datum waarop de installatiewerkzaamheden zijn uitgevoerd.
2. De aanvraag bevat, naast de in artikel 10 van het Kaderbesluitgenoemde gegevens, ten minste:
a. gegevens over de aanvrager, waaronder het inschrijfnummer bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het bankrekeningnummer;
b. een mkb-verklaring indien de aanvrager een mkb-onderneming is;
c. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres;
d. de doelgroep waartoe de gebruikers van de laadinfrastructuur behoren;
e. de postcode van de locatie waar de laadinfrastructuur is aangelegd;
f. een factuur voor de aanleg van de laadstations, voorzien van merk, type en specificaties van de laadstations, waaruit het aantal laadpunten, het vermogen aan het laadpunt en het vermogen van elk laadstation blijkt en waaruit blijkt op welke datum de installatiewerkzaamheden zijn uitgevoerd;
g. de-minimisverklaring;
h. een document waaruit blijkt dat de laadinfrastructuur permanent met het internet is verbonden en waarbij de communicatie volgens het Open Charge Point Protocol versie 1.6 of hoger verloopt teneinde sturing van het laden mogelijk te maken; en
i. hoogte van de gemelde in aanmerking komende investeringskosten op grond van de MIA.
2. De aanvraag bevat, naast de in artikel 10 van het Kaderbesluitgenoemde gegevens, ten minste:
a. gegevens over de aanvrager, waaronder het inschrijfnummer bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het bankrekeningnummer;
b. een mkb-verklaring indien de aanvrager een mkb-onderneming is;
c. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres;
d. de doelgroep waartoe de gebruikers van de laadinfrastructuur behoren;
e. de postcode van de locatie waar de laadinfrastructuur is aangelegd;
f. een factuur voor de aanleg van de laadstations, voorzien van merk, type en specificaties van de laadstations, waaruit het aantal laadpunten, het vermogen aan het laadpunt en het vermogen van elk laadstation blijkt en waaruit blijkt op welke datum de installatiewerkzaamheden zijn uitgevoerd;
g. de-minimisverklaring;
h. een document waaruit blijkt dat de laadinfrastructuur permanent met het internet is verbonden en waarbij de communicatie volgens het Open Charge Point Protocol versie 1.6 of hoger verloopt teneinde sturing van het laden mogelijk te maken; en
i. hoogte van de gemelde in aanmerking komende investeringskosten op grond van de MIA.