BWBR0049842
Geldig vanaf 2025-01-28
Artikel 2.2.9
Tijdelijke subsidieregeling zero-emissie mobiliteit
1. Een aanvrager kan bij de Minister een aanvraag om subsidie indienen door middel van een daartoe vastgesteld formulier dat beschikbaar is via de website van RVO.
2. Een aanvrager kan per week twee aanvragen indienen voor de aanleg of uitbreiding van een laadlocatie.
3. Indien een aanvrager per week meer dan twee aanvragen indient, of indien eenzelfde groep waartoe meerdere aanvragers behoren per week meer dan twee aanvragen indient, neemt de Minister uitsluitend de eerste twee ingediende aanvragen in behandeling.
4. Een aanvraag tot subsidieverlening bevat naast de in artikel 10 van het Kaderbesluitgenoemde gegevens ten minste:
a. gegevens over de aanvrager, waaronder het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel en het post- en bezoekadres;
b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres;
c. de volledige postcode met het huisnummer of dichtstbijzijnde huisnummer van de laadlocatie;
d. de coördinaten van de ingang;
e. hoogte van het bedrag van eventuele reeds aangevraagde of ontvangen subsidies van een bestuursorgaan of de Commissie van de Europese Unie voor dezelfde laadlocatie;
f. offerte met merk, type en specificaties van de laadstations en van de installatiekosten waaruit het vermogen van elk laadstation blijkt en waaruit blijkt dat de laadinfrastructuur permanent met het internet is verbonden en waarbij de communicatie volgens het Open Charge Point Protocol versie 1.6 of hoger verloopt teneinde sturing van het laden mogelijk te maken;
g. indien van toepassing bevat de aanvraag een overzicht van de overige subsidiabele kosten ten behoeve van de aanleg van laadinfrastructuur;
h. de meest recente factuur van de netbeheerder waaruit blijkt wat het huidige aansluitvermogen en gecontracteerde transportvermogen is op de laadlocatie;
i. een document waaruit blijkt dat de laadlocatie reeds over een netaansluiting van minimaal 600 kVA beschikt;
j. een onderbouwing waaruit blijkt dat de laadlocatie bereikbaar is via een verharde toegangsweg die vanaf de afrit over de gehele lengte minstens zes meter breed is, waarbij de berm niet meetelt als onderdeel van de toegangsweg, en: i. ligt op een bedrijventerrein, te weten een cluster aaneengesloten percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen, binnen een in een bestemmingsplan als bedrijventerrein aangewezen gebied; of
ii. ligt op maximaal een kilometer rijafstand van een A- of N-weg, waarbij deze afstand met een algemeen aanvaarde routeplanner wordt gemeten vanaf het einde van de dichtstbijzijnde afrit tot aan de ingang;
i. ligt op een bedrijventerrein, te weten een cluster aaneengesloten percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen, binnen een in een bestemmingsplan als bedrijventerrein aangewezen gebied; of
ii. ligt op maximaal een kilometer rijafstand van een A- of N-weg, waarbij deze afstand met een algemeen aanvaarde routeplanner wordt gemeten vanaf het einde van de dichtstbijzijnde afrit tot aan de ingang;
k. documenten waaruit blijkt dat alle laadstations binnen twee jaar na de subsidieverlening volledig beschikbaar zijn voor gebruik door zwaar elektrisch wegvervoer, waarbij de laadlocatie voldoet aan artikel 2.2.3, eerste lid, onderdelen a tot en met h;
l. documenten waaruit blijkt dat de aanvrager aantoonbaar toestemming heeft van de eigenaar van de locatie voor het plaatsen en exploiteren van publiek toegankelijke elektrische laadstations die geschikt zijn voor zware voertuigen; en
m. toestemming de laadlocatie en het aantal laadpunten van de aanvraag anoniem te publiceren.
5. In afwijking van het vierde lid, onderdeel k, hoeft de aanvrager niet te onderbouwen dat de laadlocatie voldoet aan artikel 2.2.3, eerste lid, onderdeel d, indien de laadlocatie:
a. op een bedrijventerrein ligt; of
b. een bestaand tankstation of laadstation betreft dat geschikt is voor zware voertuigen.
6. In aanvulling op het vierde lid bevat de aanvraag voor de subsidiabele activiteit, bedoeld in artikel 2.2.3, tweede lid, een offerte met opslagcapaciteit en vermogen van de stationaire batterij waaruit blijkt dat de batterij communiceert met het laadstation waarvoor subsidie wordt aangevraagd.
2. Een aanvrager kan per week twee aanvragen indienen voor de aanleg of uitbreiding van een laadlocatie.
3. Indien een aanvrager per week meer dan twee aanvragen indient, of indien eenzelfde groep waartoe meerdere aanvragers behoren per week meer dan twee aanvragen indient, neemt de Minister uitsluitend de eerste twee ingediende aanvragen in behandeling.
4. Een aanvraag tot subsidieverlening bevat naast de in artikel 10 van het Kaderbesluitgenoemde gegevens ten minste:
a. gegevens over de aanvrager, waaronder het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel en het post- en bezoekadres;
b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres;
c. de volledige postcode met het huisnummer of dichtstbijzijnde huisnummer van de laadlocatie;
d. de coördinaten van de ingang;
e. hoogte van het bedrag van eventuele reeds aangevraagde of ontvangen subsidies van een bestuursorgaan of de Commissie van de Europese Unie voor dezelfde laadlocatie;
f. offerte met merk, type en specificaties van de laadstations en van de installatiekosten waaruit het vermogen van elk laadstation blijkt en waaruit blijkt dat de laadinfrastructuur permanent met het internet is verbonden en waarbij de communicatie volgens het Open Charge Point Protocol versie 1.6 of hoger verloopt teneinde sturing van het laden mogelijk te maken;
g. indien van toepassing bevat de aanvraag een overzicht van de overige subsidiabele kosten ten behoeve van de aanleg van laadinfrastructuur;
h. de meest recente factuur van de netbeheerder waaruit blijkt wat het huidige aansluitvermogen en gecontracteerde transportvermogen is op de laadlocatie;
i. een document waaruit blijkt dat de laadlocatie reeds over een netaansluiting van minimaal 600 kVA beschikt;
j. een onderbouwing waaruit blijkt dat de laadlocatie bereikbaar is via een verharde toegangsweg die vanaf de afrit over de gehele lengte minstens zes meter breed is, waarbij de berm niet meetelt als onderdeel van de toegangsweg, en: i. ligt op een bedrijventerrein, te weten een cluster aaneengesloten percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen, binnen een in een bestemmingsplan als bedrijventerrein aangewezen gebied; of
ii. ligt op maximaal een kilometer rijafstand van een A- of N-weg, waarbij deze afstand met een algemeen aanvaarde routeplanner wordt gemeten vanaf het einde van de dichtstbijzijnde afrit tot aan de ingang;
i. ligt op een bedrijventerrein, te weten een cluster aaneengesloten percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen, binnen een in een bestemmingsplan als bedrijventerrein aangewezen gebied; of
ii. ligt op maximaal een kilometer rijafstand van een A- of N-weg, waarbij deze afstand met een algemeen aanvaarde routeplanner wordt gemeten vanaf het einde van de dichtstbijzijnde afrit tot aan de ingang;
k. documenten waaruit blijkt dat alle laadstations binnen twee jaar na de subsidieverlening volledig beschikbaar zijn voor gebruik door zwaar elektrisch wegvervoer, waarbij de laadlocatie voldoet aan artikel 2.2.3, eerste lid, onderdelen a tot en met h;
l. documenten waaruit blijkt dat de aanvrager aantoonbaar toestemming heeft van de eigenaar van de locatie voor het plaatsen en exploiteren van publiek toegankelijke elektrische laadstations die geschikt zijn voor zware voertuigen; en
m. toestemming de laadlocatie en het aantal laadpunten van de aanvraag anoniem te publiceren.
5. In afwijking van het vierde lid, onderdeel k, hoeft de aanvrager niet te onderbouwen dat de laadlocatie voldoet aan artikel 2.2.3, eerste lid, onderdeel d, indien de laadlocatie:
a. op een bedrijventerrein ligt; of
b. een bestaand tankstation of laadstation betreft dat geschikt is voor zware voertuigen.
6. In aanvulling op het vierde lid bevat de aanvraag voor de subsidiabele activiteit, bedoeld in artikel 2.2.3, tweede lid, een offerte met opslagcapaciteit en vermogen van de stationaire batterij waaruit blijkt dat de batterij communiceert met het laadstation waarvoor subsidie wordt aangevraagd.