BWBR0028076
Geldig vanaf 2010-08-21
Artikel 29
Organisatie- en mandaatbesluit Verkeer en Waterstaat 2010
1. De uitoefening van bevoegdheden in mandaat of ondermandaat verleend bij of krachtens dit besluit geschiedt met inachtneming van de ter zake geldende wetgeving en regelgeving, waaronder onder meer de beleidsregels van het ministerie ten aanzien van de uitoefening van de bij of krachtens dit besluit verleende bevoegdheden en door de mandaatgever gegeven instructies.
2. Een functionaris die krachtens overeenkomst naar burgerlijk recht werkzaam is bij het ministerie, oefent de aan zijn functie in mandaat verleende bevoegdheden slechts uit wanneer dat voor een goede functievervulling strikt noodzakelijk is en wanneer in de overeenkomst met de functionaris waarborgen voor een goede uitoefening van bevoegdheden zijn opgenomen.
3. Het besluiten tot en het verrichten van publiekrechtelijke en privaatrechtelijke rechtshandelingen geschiedt in ieder geval met inachtneming van:
a. de van toepassing zijnde begrotingswet en de daarbij gegeven financiële ruimte;
b. de aan de gemandateerde toegekende budgetten op basis van het geldende jaarplan;
c. het bepaalde bij of krachtens de Comptabiliteitswet 2001 en de aanwijzingen van de hoofddirecteur Financiën, Management en Control op grond van die wet en de daarop berustende regelgeving, waaronder artikel 2 van het Besluit taak FEZ;
d. het Besluit privaatrechtelijke rechtshandelingen 1996; en
e. de door het ministerie ter zake gestelde kaders, waaronder de kaders ten aanzien van inkoop en aanbesteding.
2. Een functionaris die krachtens overeenkomst naar burgerlijk recht werkzaam is bij het ministerie, oefent de aan zijn functie in mandaat verleende bevoegdheden slechts uit wanneer dat voor een goede functievervulling strikt noodzakelijk is en wanneer in de overeenkomst met de functionaris waarborgen voor een goede uitoefening van bevoegdheden zijn opgenomen.
3. Het besluiten tot en het verrichten van publiekrechtelijke en privaatrechtelijke rechtshandelingen geschiedt in ieder geval met inachtneming van:
a. de van toepassing zijnde begrotingswet en de daarbij gegeven financiële ruimte;
b. de aan de gemandateerde toegekende budgetten op basis van het geldende jaarplan;
c. het bepaalde bij of krachtens de Comptabiliteitswet 2001 en de aanwijzingen van de hoofddirecteur Financiën, Management en Control op grond van die wet en de daarop berustende regelgeving, waaronder artikel 2 van het Besluit taak FEZ;
d. het Besluit privaatrechtelijke rechtshandelingen 1996; en
e. de door het ministerie ter zake gestelde kaders, waaronder de kaders ten aanzien van inkoop en aanbesteding.