BWBR0028076
Geldig vanaf 2010-08-21
Artikel 23
Organisatie- en mandaatbesluit Verkeer en Waterstaat 2010
1. Aan de diensthoofden wordt mandaat verleend ten aanzien van alle bevoegdheden die behoren bij de uitoefening van de taken van hun dienst genoemd in paragraaf 2.3, dan wel in overige wetgeving en regelgeving, waaronder mede begrepen het bepalen van beleid, het uitvoeren van het beleid en de bedrijfsvoering van de dienst, een en ander tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald of de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet.
2. Het in het vorige lid bedoelde mandaat behelst mede bevoegdheden aangaande de ambtelijke rechtspositie van onder de diensthoofden ressorterende functionarissen, met inbegrip van de volgende bevoegdheden:
a. de ontslagverlening, bedoeld in de artikelen 96, 96a, 96b, 98 en 99 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement;
b. het verlenen van buitengewoon verlof voor lange duur of bijzonder verlof, bedoeld in artikel 34 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement;
c. de aanstelling van functionarissen in schaal 13 en hoger;
d. de verdeling van personeelsbudgetten;
e. het opleggen van disciplinaire straffen bedoeld in hoofdstuk VIII van het algemeen Rijksambtenarenreglement; en
f. de schorsing, bedoeld in artikel 91, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, en de inhouding van bezoldiging, bedoeld in artikel 92 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement.
3. Aan de diensthoofden van de diensten, genoemd in artikel 2, tweede lid, onder a tot en met c, m en n, wordt, voor zover het bestuurlijke aangelegenheden van hun dienst betreft, mandaat verleend tot het nemen van besluiten inhoudende een volledige honorering van verzoeken als bedoeld in de Wet openbaarheid van bestuur.
4. Uitoefening van mandaat geschiedt onverminderd de mandaatverlening aan de secretaris-generaal in artikel 22en in het bijzonder het bepaalde in het derde lid van voornoemd artikel.
5. Het mandaat omvat mede de bevoegdheid tot het vaststellen, wijzigen of intrekken van beleidsregels met betrekking tot de gemandateerde bevoegdheid.
6. Een diensthoofd kan ondermandaat verlenen aan:
a. een onder hem ressorterend dienstonderdeelhoofd;
b. een andere onder hem ressorterende functionaris; en
c. een dienstonderdeelhoofd en functionarissen die niet onder zijn dienst ressorteren, mits de mate waarin en de wijze waarop het toegekende mandaat moet worden uitgeoefend schriftelijk zijn vastgelegd.
7. Geen ondermandaat kan worden verleend ten aanzien van de bevoegdheden genoemd in het tweede lid, onder a, b, e en f. De vorige zin is niet van toepassing op de Inspectie Verkeer en Waterstaat en het directoraat-generaal Rijkswaterstaat.
8. Geen ondermandaat kan worden verleend ten aanzien van de bevoegdheden genoemd in het derde lid. In afwijking van de vorige zin kan het diensthoofd van het directoraat-generaal Rijkswaterstaat de bevoegdheid, bedoeld in het derde lid, in ondermandaat verlenen.
9. De directeur-generaal Rijkswaterstaat kan bij het verlenen van ondermandaat, bedoeld in het zesde lid, onder a, bepalen dat het dienstonderdeelhoofd vervolgens ondermandaat kan verlenen aan een onder hem ressorterende functionaris.
10. De directeur-generaal Luchtvaart en Maritieme Zaken kan ondermandaat verlenen aan de directeur-generaal Rijkswaterstaat voor zover het de uitvoering van zijn taken met betrekking tot luchthavens betreft, mits de mate waarin en de wijze waarop het toegekende mandaat moet worden uitgeoefend schriftelijk zijn vastgelegd.
2. Het in het vorige lid bedoelde mandaat behelst mede bevoegdheden aangaande de ambtelijke rechtspositie van onder de diensthoofden ressorterende functionarissen, met inbegrip van de volgende bevoegdheden:
a. de ontslagverlening, bedoeld in de artikelen 96, 96a, 96b, 98 en 99 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement;
b. het verlenen van buitengewoon verlof voor lange duur of bijzonder verlof, bedoeld in artikel 34 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement;
c. de aanstelling van functionarissen in schaal 13 en hoger;
d. de verdeling van personeelsbudgetten;
e. het opleggen van disciplinaire straffen bedoeld in hoofdstuk VIII van het algemeen Rijksambtenarenreglement; en
f. de schorsing, bedoeld in artikel 91, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, en de inhouding van bezoldiging, bedoeld in artikel 92 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement.
3. Aan de diensthoofden van de diensten, genoemd in artikel 2, tweede lid, onder a tot en met c, m en n, wordt, voor zover het bestuurlijke aangelegenheden van hun dienst betreft, mandaat verleend tot het nemen van besluiten inhoudende een volledige honorering van verzoeken als bedoeld in de Wet openbaarheid van bestuur.
4. Uitoefening van mandaat geschiedt onverminderd de mandaatverlening aan de secretaris-generaal in artikel 22en in het bijzonder het bepaalde in het derde lid van voornoemd artikel.
5. Het mandaat omvat mede de bevoegdheid tot het vaststellen, wijzigen of intrekken van beleidsregels met betrekking tot de gemandateerde bevoegdheid.
6. Een diensthoofd kan ondermandaat verlenen aan:
a. een onder hem ressorterend dienstonderdeelhoofd;
b. een andere onder hem ressorterende functionaris; en
c. een dienstonderdeelhoofd en functionarissen die niet onder zijn dienst ressorteren, mits de mate waarin en de wijze waarop het toegekende mandaat moet worden uitgeoefend schriftelijk zijn vastgelegd.
7. Geen ondermandaat kan worden verleend ten aanzien van de bevoegdheden genoemd in het tweede lid, onder a, b, e en f. De vorige zin is niet van toepassing op de Inspectie Verkeer en Waterstaat en het directoraat-generaal Rijkswaterstaat.
8. Geen ondermandaat kan worden verleend ten aanzien van de bevoegdheden genoemd in het derde lid. In afwijking van de vorige zin kan het diensthoofd van het directoraat-generaal Rijkswaterstaat de bevoegdheid, bedoeld in het derde lid, in ondermandaat verlenen.
9. De directeur-generaal Rijkswaterstaat kan bij het verlenen van ondermandaat, bedoeld in het zesde lid, onder a, bepalen dat het dienstonderdeelhoofd vervolgens ondermandaat kan verlenen aan een onder hem ressorterende functionaris.
10. De directeur-generaal Luchtvaart en Maritieme Zaken kan ondermandaat verlenen aan de directeur-generaal Rijkswaterstaat voor zover het de uitvoering van zijn taken met betrekking tot luchthavens betreft, mits de mate waarin en de wijze waarop het toegekende mandaat moet worden uitgeoefend schriftelijk zijn vastgelegd.