BWBR0028076
Geldig vanaf 2010-08-21
Artikel 25
Organisatie- en mandaatbesluit Verkeer en Waterstaat 2010
1. In afwijking van artikel 1, tweede lid, is dit artikel niet van toepassing op de directeur Centrum Publieksparticipatie. Dit artikel is eveneens niet van toepassing op de secretaris Commissie van advies inzake de waterstaatswetgeving. Het derde lid van dit artikel is niet van toepassing op de secretaris Adviescommissie Water.
2. Aan de secretarissen van adviesorganen en overlegorganen wordt mandaat verleend voor alle bevoegdheden die behoren bij de uitoefening van de taken van hun secretariaat genoemd in paragraaf 2.4dan wel in overige wetgeving en regelgeving, waaronder mede begrepen de bedrijfsuitvoering van het secretariaat, een en ander tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald of de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet.
3. Het in het vorige lid bedoelde mandaat behelst mede bevoegdheden aangaande de ambtelijke rechtspositie van onder de secretarissen van adviesorganen of overlegorganen ressorterende functionarissen, met inbegrip van besluiten over de aanstelling van functionarissen in schaal 13 en hoger en de verdeling van personeelsbudgetten, doch met uitzondering van de volgende bevoegdheden:
a. de ontslagverlening als bedoeld in de artikelen 96, 96a, 96b, 98 en 99 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement;
b. het verlenen van buitengewoon verlof voor lange duur of bijzonder verlof bedoeld in artikel 34 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement;
c. het opleggen van disciplinaire straffen, bedoeld in hoofdstuk VIII van het Algemeen Rijksambtenarenreglement; en
d. de schorsing, bedoeld in artikel 91 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, en de inhouding van bezoldiging als bedoeld in artikel 92 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement.
4. Uitoefening van mandaat geschiedt onverminderd de mandaatverlening aan de secretaris-generaal in artikel 22en in het bijzonder het bepaalde in het derde lid van voornoemd artikel.
5. De bevoegdheid, bedoeld in het tweede lid, omvat niet de bevoegdheid tot beslissen op bezwaar en niet de bevoegdheid tot het vaststellen, wijzigen of intrekken van beleidsregels met betrekking tot de gemandateerde bevoegdheid.
6. De bevoegdheden in mandaat verleend in het tweede lid strekken niet tot het aangaan van financiële verplichtingen met een waarde gelijk aan of groter dan de drempelbedragen, bedoeld in het Besluit aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten.
2. Aan de secretarissen van adviesorganen en overlegorganen wordt mandaat verleend voor alle bevoegdheden die behoren bij de uitoefening van de taken van hun secretariaat genoemd in paragraaf 2.4dan wel in overige wetgeving en regelgeving, waaronder mede begrepen de bedrijfsuitvoering van het secretariaat, een en ander tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald of de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet.
3. Het in het vorige lid bedoelde mandaat behelst mede bevoegdheden aangaande de ambtelijke rechtspositie van onder de secretarissen van adviesorganen of overlegorganen ressorterende functionarissen, met inbegrip van besluiten over de aanstelling van functionarissen in schaal 13 en hoger en de verdeling van personeelsbudgetten, doch met uitzondering van de volgende bevoegdheden:
a. de ontslagverlening als bedoeld in de artikelen 96, 96a, 96b, 98 en 99 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement;
b. het verlenen van buitengewoon verlof voor lange duur of bijzonder verlof bedoeld in artikel 34 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement;
c. het opleggen van disciplinaire straffen, bedoeld in hoofdstuk VIII van het Algemeen Rijksambtenarenreglement; en
d. de schorsing, bedoeld in artikel 91 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, en de inhouding van bezoldiging als bedoeld in artikel 92 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement.
4. Uitoefening van mandaat geschiedt onverminderd de mandaatverlening aan de secretaris-generaal in artikel 22en in het bijzonder het bepaalde in het derde lid van voornoemd artikel.
5. De bevoegdheid, bedoeld in het tweede lid, omvat niet de bevoegdheid tot beslissen op bezwaar en niet de bevoegdheid tot het vaststellen, wijzigen of intrekken van beleidsregels met betrekking tot de gemandateerde bevoegdheid.
6. De bevoegdheden in mandaat verleend in het tweede lid strekken niet tot het aangaan van financiële verplichtingen met een waarde gelijk aan of groter dan de drempelbedragen, bedoeld in het Besluit aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten.