BWBR0028076
Geldig vanaf 2010-08-21
Artikel 26
Organisatie- en mandaatbesluit Verkeer en Waterstaat 2010
1. Aan de minister, onderscheidenlijk de staatssecretaris, is voorbehouden de bevoegdheid tot het nemen van een besluit en het verrichten van een privaatrechtelijke rechtshandeling, neergelegd in een document, gericht tot:
a. de Koningin;
b. de Raad van Ministers (van het Koninkrijk) of een daaruit gevormde onderraad of een commissie;
c. een minister of een staatssecretaris;
d. een autoriteit in binnen- of buitenland, gelijk of hoger in rang dan een minister of een staatssecretaris;
e. de voorzitter van de Eerste of de Tweede Kamer der Staten-Generaal of de voorzitter van een uit een van die Kamers gevormde commissie;
f. de Raad van State (van het Koninkrijk); of
g. de Algemene Rekenkamer.
2. Aan de minister, onderscheidenlijk de staatssecretaris, is eveneens voorbehouden de bevoegdheid tot het nemen van een besluit inzake een bezwaar tegen een besluit dat door de minister, onderscheidenlijk de staatssecretaris, dan wel door de secretaris-generaal is genomen.
3. Aan de minister, onderscheidenlijk de staatssecretaris, is evenzo voorbehouden de bevoegdheid tot het verrichten van een andere handeling dan een besluit of een privaatrechtelijke rechtshandeling ten opzichte van een van de in het eerste lid genoemden.
4. Het derde lid geldt niet ten aanzien van handelingen ten opzichte van een van de in het eerste lid, onder f en g genoemden, voor zover het stukken betreft die louter van informatieve aard zijn.
5. Aan de minister is eveneens voorbehouden de bevoegdheid tot het geven van instructies per geval of in het algemeen aan de ambtenaren van de Inspectie Verkeer en Waterstaat.
6. Het vijfde lid geldt niet voor zover de daar bedoelde bevoegdheid aan de inspecteur-generaal wordt verleend.
a. de Koningin;
b. de Raad van Ministers (van het Koninkrijk) of een daaruit gevormde onderraad of een commissie;
c. een minister of een staatssecretaris;
d. een autoriteit in binnen- of buitenland, gelijk of hoger in rang dan een minister of een staatssecretaris;
e. de voorzitter van de Eerste of de Tweede Kamer der Staten-Generaal of de voorzitter van een uit een van die Kamers gevormde commissie;
f. de Raad van State (van het Koninkrijk); of
g. de Algemene Rekenkamer.
2. Aan de minister, onderscheidenlijk de staatssecretaris, is eveneens voorbehouden de bevoegdheid tot het nemen van een besluit inzake een bezwaar tegen een besluit dat door de minister, onderscheidenlijk de staatssecretaris, dan wel door de secretaris-generaal is genomen.
3. Aan de minister, onderscheidenlijk de staatssecretaris, is evenzo voorbehouden de bevoegdheid tot het verrichten van een andere handeling dan een besluit of een privaatrechtelijke rechtshandeling ten opzichte van een van de in het eerste lid genoemden.
4. Het derde lid geldt niet ten aanzien van handelingen ten opzichte van een van de in het eerste lid, onder f en g genoemden, voor zover het stukken betreft die louter van informatieve aard zijn.
5. Aan de minister is eveneens voorbehouden de bevoegdheid tot het geven van instructies per geval of in het algemeen aan de ambtenaren van de Inspectie Verkeer en Waterstaat.
6. Het vijfde lid geldt niet voor zover de daar bedoelde bevoegdheid aan de inspecteur-generaal wordt verleend.