BWBR0028076
Geldig vanaf 2010-08-21
Artikel 22
Organisatie- en mandaatbesluit Verkeer en Waterstaat 2010
1. Aan de secretaris-generaal wordt mandaat verleend voor alle bevoegdheden van de minister ten aanzien van het beleid en de bedrijfsvoering van het ministerie, die behoren bij de uitoefening van zijn taken genoemd in paragraaf 2.2, dan wel in overige wetgeving en regelgeving, een en ander tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald of de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet.
2. Het mandaat omvat mede de bevoegdheid tot het vaststellen, wijzigen of intrekken van beleidsregels met betrekking tot de gemandateerde bevoegdheid.
3. Tot de bevoegdheden, waarvoor overeenkomstig het eerste lid aan de secretaris-generaal mandaat wordt verleend, behoren in ieder geval de bevoegdheden betreffende:
a. de hoofdlijnen van het nationale en internationale beleid op het terrein van het ministerie;
b. de hoofdlijnen van het financiële beleid van het ministerie;
c. de hoofdlijnen van het personeelsbeleid van het ministerie, waaronder begrepen: i. de kaders voor het te voeren arbeidsvoorwaardenbeleid;
ii. de kaders voor het te voeren sociaal beleid;
iii. het overleg met de Bijzondere Commissie;
iv. het overleg met de Departementale Ondernemingsraad;
v. het overleg met de Ondernemingsraad, samengesteld uit gekozen medewerkers van het zogenaamd D1-niveau; en
vi. het Georganiseerd Overleg met de centrales van overheidspersoneel, bedoeld in artikel 113 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement;
i. de kaders voor het te voeren arbeidsvoorwaardenbeleid;
ii. de kaders voor het te voeren sociaal beleid;
iii. het overleg met de Bijzondere Commissie;
iv. het overleg met de Departementale Ondernemingsraad;
v. het overleg met de Ondernemingsraad, samengesteld uit gekozen medewerkers van het zogenaamd D1-niveau; en
vi. het Georganiseerd Overleg met de centrales van overheidspersoneel, bedoeld in artikel 113 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement;
d. de hoofdlijnen van het organisatiebeleid en formatiebeleid, alsmede de verdeling van de personele middelen, waaronder begrepen: i. de organisatorische hoofdstructuur en de topstructuur van het ministerie;
ii. alle functies bij het ministerie in schaal 16 of hoger, waarvoor instemming van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties is vereist; en
iii. het te hanteren systeem van functiewaardering;
i. de organisatorische hoofdstructuur en de topstructuur van het ministerie;
ii. alle functies bij het ministerie in schaal 16 of hoger, waarvoor instemming van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties is vereist; en
iii. het te hanteren systeem van functiewaardering;
e. de hoofdlijnen van het management ontwikkelingsbeleid, waaronder begrepen de managementopleidingen;
f. de kaders voor de personele informatievoorziening;
g. de hoofdlijnen van het beleid van het ministerie op het gebied van de organisatie en informatie, waaronder begrepen de beveiliging van de informatievoorziening;
h. de hoofdlijnen van het beleid van het ministerie op het gebied van wetgeving, bestuurlijke en juridische zaken;
i. de hoofdlijnen van het algemeen communicatiebeleid van het ministerie, waaronder begrepen de presentatie van belangrijke beleidsvoornemens en de daarmee verband houdende communicatiestrategieën;
j. de hoofdlijnen betreffende de verkeersraden;
k. de hoofdlijnen van het beleid inzake de huisvesting van het ministerie, de documentaire informatievoorziening, het vervoer, het verwerven van facilitaire goederen en diensten en de beveiliging, inclusief brandpreventie, van personen en gebouwen, waaronder begrepen de hoofdlijnen van het beleid inzake het verwerven, afstoten, de exploitatie en het onderhoud van de gebouwen van het ministerie, alsmede inzake de benodigde communicatiemiddelen voor deze gebouwen;
l. de hoofdlijnen van het beleid van het ministerie inzake buitengewone omstandigheden, waaronder de bepaling van de onderwerpen die ten laste worden gebracht van de begrotingsgelden bestemd voor buitengewone omstandigheden;
m. de hoofdlijnen betreffende het kennis- en innovatiebeleid; en
n. het nemen van een besluit dat wordt neergelegd in een document gericht tot de Nationale Ombudsman.
4. De secretaris-generaal kan de aan hem verleende bevoegdheden, met uitzondering van de bevoegdheden genoemd in het derde lid, in ondermandaat verlenen aan functionarissen, niet zijnde diensthoofden en rechtstreeks onder diensthoofden ressorterende functionarissen.
5. Aan de directeur Bestuursondersteuning wordt ondertekeningsmandaat verleend ten aanzien van de aan de secretaris-generaal verleende bevoegdheden.
2. Het mandaat omvat mede de bevoegdheid tot het vaststellen, wijzigen of intrekken van beleidsregels met betrekking tot de gemandateerde bevoegdheid.
3. Tot de bevoegdheden, waarvoor overeenkomstig het eerste lid aan de secretaris-generaal mandaat wordt verleend, behoren in ieder geval de bevoegdheden betreffende:
a. de hoofdlijnen van het nationale en internationale beleid op het terrein van het ministerie;
b. de hoofdlijnen van het financiële beleid van het ministerie;
c. de hoofdlijnen van het personeelsbeleid van het ministerie, waaronder begrepen: i. de kaders voor het te voeren arbeidsvoorwaardenbeleid;
ii. de kaders voor het te voeren sociaal beleid;
iii. het overleg met de Bijzondere Commissie;
iv. het overleg met de Departementale Ondernemingsraad;
v. het overleg met de Ondernemingsraad, samengesteld uit gekozen medewerkers van het zogenaamd D1-niveau; en
vi. het Georganiseerd Overleg met de centrales van overheidspersoneel, bedoeld in artikel 113 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement;
i. de kaders voor het te voeren arbeidsvoorwaardenbeleid;
ii. de kaders voor het te voeren sociaal beleid;
iii. het overleg met de Bijzondere Commissie;
iv. het overleg met de Departementale Ondernemingsraad;
v. het overleg met de Ondernemingsraad, samengesteld uit gekozen medewerkers van het zogenaamd D1-niveau; en
vi. het Georganiseerd Overleg met de centrales van overheidspersoneel, bedoeld in artikel 113 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement;
d. de hoofdlijnen van het organisatiebeleid en formatiebeleid, alsmede de verdeling van de personele middelen, waaronder begrepen: i. de organisatorische hoofdstructuur en de topstructuur van het ministerie;
ii. alle functies bij het ministerie in schaal 16 of hoger, waarvoor instemming van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties is vereist; en
iii. het te hanteren systeem van functiewaardering;
i. de organisatorische hoofdstructuur en de topstructuur van het ministerie;
ii. alle functies bij het ministerie in schaal 16 of hoger, waarvoor instemming van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties is vereist; en
iii. het te hanteren systeem van functiewaardering;
e. de hoofdlijnen van het management ontwikkelingsbeleid, waaronder begrepen de managementopleidingen;
f. de kaders voor de personele informatievoorziening;
g. de hoofdlijnen van het beleid van het ministerie op het gebied van de organisatie en informatie, waaronder begrepen de beveiliging van de informatievoorziening;
h. de hoofdlijnen van het beleid van het ministerie op het gebied van wetgeving, bestuurlijke en juridische zaken;
i. de hoofdlijnen van het algemeen communicatiebeleid van het ministerie, waaronder begrepen de presentatie van belangrijke beleidsvoornemens en de daarmee verband houdende communicatiestrategieën;
j. de hoofdlijnen betreffende de verkeersraden;
k. de hoofdlijnen van het beleid inzake de huisvesting van het ministerie, de documentaire informatievoorziening, het vervoer, het verwerven van facilitaire goederen en diensten en de beveiliging, inclusief brandpreventie, van personen en gebouwen, waaronder begrepen de hoofdlijnen van het beleid inzake het verwerven, afstoten, de exploitatie en het onderhoud van de gebouwen van het ministerie, alsmede inzake de benodigde communicatiemiddelen voor deze gebouwen;
l. de hoofdlijnen van het beleid van het ministerie inzake buitengewone omstandigheden, waaronder de bepaling van de onderwerpen die ten laste worden gebracht van de begrotingsgelden bestemd voor buitengewone omstandigheden;
m. de hoofdlijnen betreffende het kennis- en innovatiebeleid; en
n. het nemen van een besluit dat wordt neergelegd in een document gericht tot de Nationale Ombudsman.
4. De secretaris-generaal kan de aan hem verleende bevoegdheden, met uitzondering van de bevoegdheden genoemd in het derde lid, in ondermandaat verlenen aan functionarissen, niet zijnde diensthoofden en rechtstreeks onder diensthoofden ressorterende functionarissen.
5. Aan de directeur Bestuursondersteuning wordt ondertekeningsmandaat verleend ten aanzien van de aan de secretaris-generaal verleende bevoegdheden.