BWBR0017751
Geldig vanaf 2014-11-15
Artikel 61
Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg
1. Op een door Onze Minister van Veiligheid en Justitie aanvaarde rechtspersoon, bedoeld in de <a href="/wet/BWBR0002656/artikel/254" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 254, tweede lid</a>, en <a href="/wet/BWBR0002656/artikel/302" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">302, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek</a>zijn de artikelen 26, 27, 29, eerste lid, onder b en h, en 38 tot en met 45van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de wijze van uitvoering van de taken door de rechtspersoon past bij de aard van het verblijf van de minderjarige en zijn verwachte verblijfsduur.
2. De rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, die de voogdij uitoefent over een minderjarige zorgt dat die minderjarige wordt ondergebracht:
a. bij meerderjarige familieleden;
b. in een pleeggezin;
c. in speciale centra voor minderjarigen, of
d. in andere voor minderjarige geschikte tehuizen.
Voorzover mogelijk is de verblijfplaats van de minderjarige dezelfde als die van zijn broers of zussen. Veranderingen in de verblijfplaats van de minderjarige worden tot het strikt noodzakelijke minimum beperkt.
2. De rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, die de voogdij uitoefent over een minderjarige zorgt dat die minderjarige wordt ondergebracht:
a. bij meerderjarige familieleden;
b. in een pleeggezin;
c. in speciale centra voor minderjarigen, of
d. in andere voor minderjarige geschikte tehuizen.
Voorzover mogelijk is de verblijfplaats van de minderjarige dezelfde als die van zijn broers of zussen. Veranderingen in de verblijfplaats van de minderjarige worden tot het strikt noodzakelijke minimum beperkt.