BWBR0017751
Geldig vanaf 2014-11-15
Artikel 43
Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg
1. De stichting stelt uiterlijk zes weken nadat de minderjarige onder haar toezicht is gesteld en zij hiervan in kennis is gesteld, een plan vast als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0016637/artikel/13" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 13, derde lid, van de wet</a>.
2. Het plan bevat in ieder geval:
a. een beschrijving van de doelen die met de ondertoezichtstelling worden nagestreefd, zo nodig uitgesplitst in doelen op korte en lange termijn,
b. de wijze waarop deze doelen worden nagestreefd,
c. een beschrijving van de voorgenomen activiteiten met betrekking tot de minderjarige en de met het gezag belaste ouder of voogd,
d. een vermelding van de wijze waarop de ouders of anderen die de minderjarige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden, alsmede zijn sociale omgeving zullen worden betrokken bij de werkzaamheden, dan wel een vermelding van de redenen waarom dit niet zal gebeuren en
e. een vermelding van de momenten waarop de ondertoezichtstelling geëvalueerd wordt.
3. In het plan wordt tevens vermeld welke zorg voor de minderjarige, voor de met het gezag belaste ouder, voogd of voor anderen die de minderjarige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden nodig is, onder vermelding van de wijze waarop de doelen die met de ondertoezichtstelling worden nagestreefd, samenhangen met de doelen van de zorg.
4. Indien een minderjarige ten minste achttien maanden buiten het ouderlijke gezin is verzorgd en opgevoed, bevat het plan een beschrijving van de doelen van de ondertoezichtstelling op langere termijn waarbij aandacht wordt besteed aan de continuïteit van de verblijfplaats van de minderjarige.
5. Het plan komt niet tot stand en wordt niet gewijzigd dan nadat daarover in ieder geval overleg is gepleegd met:
a. de minderjarige, overeenkomstig zijn leeftijds- en ontwikkelingsniveau en
b. de met het gezag belaste ouder, voogd of anderen die de minderjarige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden, tenzij dit overleg kennelijk schade zou toebrengen aan de minderjarige.
6. Van het overleg en de resultaten daarvan wordt melding gemaakt in het plan. Indien geen overleg mogelijk is, wordt hiervan met opgave van redenen melding gemaakt.
7. Zo vaak als noodzakelijk, doch ten minste één maal per jaar wordt bezien in hoeverre het plan bijstelling behoeft.
2. Het plan bevat in ieder geval:
a. een beschrijving van de doelen die met de ondertoezichtstelling worden nagestreefd, zo nodig uitgesplitst in doelen op korte en lange termijn,
b. de wijze waarop deze doelen worden nagestreefd,
c. een beschrijving van de voorgenomen activiteiten met betrekking tot de minderjarige en de met het gezag belaste ouder of voogd,
d. een vermelding van de wijze waarop de ouders of anderen die de minderjarige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden, alsmede zijn sociale omgeving zullen worden betrokken bij de werkzaamheden, dan wel een vermelding van de redenen waarom dit niet zal gebeuren en
e. een vermelding van de momenten waarop de ondertoezichtstelling geëvalueerd wordt.
3. In het plan wordt tevens vermeld welke zorg voor de minderjarige, voor de met het gezag belaste ouder, voogd of voor anderen die de minderjarige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden nodig is, onder vermelding van de wijze waarop de doelen die met de ondertoezichtstelling worden nagestreefd, samenhangen met de doelen van de zorg.
4. Indien een minderjarige ten minste achttien maanden buiten het ouderlijke gezin is verzorgd en opgevoed, bevat het plan een beschrijving van de doelen van de ondertoezichtstelling op langere termijn waarbij aandacht wordt besteed aan de continuïteit van de verblijfplaats van de minderjarige.
5. Het plan komt niet tot stand en wordt niet gewijzigd dan nadat daarover in ieder geval overleg is gepleegd met:
a. de minderjarige, overeenkomstig zijn leeftijds- en ontwikkelingsniveau en
b. de met het gezag belaste ouder, voogd of anderen die de minderjarige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden, tenzij dit overleg kennelijk schade zou toebrengen aan de minderjarige.
6. Van het overleg en de resultaten daarvan wordt melding gemaakt in het plan. Indien geen overleg mogelijk is, wordt hiervan met opgave van redenen melding gemaakt.
7. Zo vaak als noodzakelijk, doch ten minste één maal per jaar wordt bezien in hoeverre het plan bijstelling behoeft.