BWBR0002656
Geldig vanaf 1970-01-01
Artikel 302
Burgerlijk Wetboek Boek 1
1. De rechter kan de voogdij opdragen aan een gecertificeerde instelling als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0034925/artikel/1.1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1.1 van de Jeugdwet</a>.
2. Onverminderd diens bevoegdheid een natuurlijke persoon tot voogd te benoemen, kan de rechter de voogdij over een minderjarige door of voor wie een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0011823/artikel/28" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000</a>is ingediend, en in verband daarmee in Nederland verblijft, alsmede over door Onze Minister van Justitie aan te wijzen categorieën andere minderjarigen, uitsluitend opdragen aan een daartoe door Onze Minister van Justitie aanvaarde rechtspersoon.
3. Onze Minister van Justitie kan voorwaarden stellen bij of voorschriften verbinden aan de aanvaarding, bedoeld in het tweede lid, en de rechtspersoon voor een bepaalde tijd aanvaarden.
4. Op een rechtspersoon als bedoeld in het tweede lid, zijn de artikelen 303, 304, 305en 328van overeenkomstige toepassing.
2. Onverminderd diens bevoegdheid een natuurlijke persoon tot voogd te benoemen, kan de rechter de voogdij over een minderjarige door of voor wie een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0011823/artikel/28" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000</a>is ingediend, en in verband daarmee in Nederland verblijft, alsmede over door Onze Minister van Justitie aan te wijzen categorieën andere minderjarigen, uitsluitend opdragen aan een daartoe door Onze Minister van Justitie aanvaarde rechtspersoon.
3. Onze Minister van Justitie kan voorwaarden stellen bij of voorschriften verbinden aan de aanvaarding, bedoeld in het tweede lid, en de rechtspersoon voor een bepaalde tijd aanvaarden.
4. Op een rechtspersoon als bedoeld in het tweede lid, zijn de artikelen 303, 304, 305en 328van overeenkomstige toepassing.