BWBR0017751
Geldig vanaf 2014-11-15
Artikel 14
Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg
1. Een cliënt heeft, in afwijking van <a href="/wet/BWBR0016637/artikel/3" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3, derde lid, van de wet</a>, in situaties waarin naar het oordeel van de stichting die werkzaam is in de provincie waarin de jeugdige duurzaam verblijft, onmiddellijke verlening van jeugdzorg als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0016637/artikel/5" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 5, tweede lid, onder a, van de wet</a>, geboden is, aanspraak op deze jeugdzorg zonder dat die stichting een indicatiebesluit heeft genomen.
2. Een aanspraak als bedoeld in het eerste lid vervalt zodra met betrekking tot de cliënt een indicatiebesluit is genomen, doch in ieder geval na vier weken.
3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing bij plaatsing van een jeugdige in een inrichting.
2. Een aanspraak als bedoeld in het eerste lid vervalt zodra met betrekking tot de cliënt een indicatiebesluit is genomen, doch in ieder geval na vier weken.
3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing bij plaatsing van een jeugdige in een inrichting.