BWBR0017751
Geldig vanaf 2014-11-15
Artikel 60
Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg
1. De stichting en de raad voor de kinderbescherming leggen de wijze van samenwerken vast in een protocol.
2. In het protocol worden met betrekking tot de artikelen 56 tot en met 59in ieder geval vastgelegd:
a. de wijze waarop de stichting de kennisgeving van een geval als bedoeld in artikel 56 doet,
b. een beschrijving van de gegevens die de stichting verstrekt bij de kennisgeving op grond waarvan de raad voor de kinderbescherming een beslissing kan nemen of hij het geval in onderzoek neemt,
c. de wijze waarop de raad voor de kinderbescherming zijn beslissing over het in onderzoek nemen van een geval aan de stichting kenbaar maakt,
d. een beschrijving van de werkwijze van de stichting en de raad voor de kinderbescherming voor zover de werkwijze samenhangt of gelijktijdig plaatsvindt en
e. de wijze waarop de raad voor de kinderbescherming de stichting informeert over de resultaten van zijn onderzoek.
3. In het protocol worden met betrekking tot het indicatiebesluit in ieder geval vastgelegd:
a. de procedure die de stichting hanteert bij het nemen van een indicatiebesluit ingeval de raad voor de kinderbescherming voornemens is een machtiging als bedoeld in artikel 261, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek te verzoeken en;
b. een beschrijving van de criteria op grond waarvan de raad voor de kinderbescherming een indicatiebesluit in de gevallen, bedoeld in artikel 7, zesde lid, onder b, van de wet, verzoekt.
4. In het protocol wordt met betrekking tot de jeugdreclassering in ieder geval vastgelegd:
a. een omschrijving van de criteria op grond waarvan de raad voor de kinderbescherming zijn bevoegdheid, bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de wet, gebruikt en;
b. de wijze van samenwerking in het kader van de taak, bedoeld in artikel 77hh van het Wetboek van Strafrecht.
2. In het protocol worden met betrekking tot de artikelen 56 tot en met 59in ieder geval vastgelegd:
a. de wijze waarop de stichting de kennisgeving van een geval als bedoeld in artikel 56 doet,
b. een beschrijving van de gegevens die de stichting verstrekt bij de kennisgeving op grond waarvan de raad voor de kinderbescherming een beslissing kan nemen of hij het geval in onderzoek neemt,
c. de wijze waarop de raad voor de kinderbescherming zijn beslissing over het in onderzoek nemen van een geval aan de stichting kenbaar maakt,
d. een beschrijving van de werkwijze van de stichting en de raad voor de kinderbescherming voor zover de werkwijze samenhangt of gelijktijdig plaatsvindt en
e. de wijze waarop de raad voor de kinderbescherming de stichting informeert over de resultaten van zijn onderzoek.
3. In het protocol worden met betrekking tot het indicatiebesluit in ieder geval vastgelegd:
a. de procedure die de stichting hanteert bij het nemen van een indicatiebesluit ingeval de raad voor de kinderbescherming voornemens is een machtiging als bedoeld in artikel 261, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek te verzoeken en;
b. een beschrijving van de criteria op grond waarvan de raad voor de kinderbescherming een indicatiebesluit in de gevallen, bedoeld in artikel 7, zesde lid, onder b, van de wet, verzoekt.
4. In het protocol wordt met betrekking tot de jeugdreclassering in ieder geval vastgelegd:
a. een omschrijving van de criteria op grond waarvan de raad voor de kinderbescherming zijn bevoegdheid, bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de wet, gebruikt en;
b. de wijze van samenwerking in het kader van de taak, bedoeld in artikel 77hh van het Wetboek van Strafrecht.