BWBR0017751
Geldig vanaf 2014-11-15
Artikel 29
Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg
1. Onverminderd het derde, vierde en vijfde lid, beschikt de stichting ten behoeve van een verantwoorde uitvoering van de aan haar bij de wet opgedragen taken over deskundigheid met betrekking tot:
a. de beoordeling en aanpak van psychosociale, psychische of gedragsproblemen, dan wel een psychiatrische aandoening van jeugdigen;
b. de beoordeling en aanpak van opvoedingssituaties die het onbedreigd opgroeien van jeugdigen kunnen belemmeren;
c. de herkenning van taal- en leerproblemen;
d. de herkenning van somatische aandoeningen;
e. de herkenning van lichamelijke of verstandelijke handicaps;
f. de beoordeling en aanpak van kindermishandeling;
g. de aanpak van jeugdige delinquenten;
h. de juridische aspecten van de haar opgedragen taken.
2. De stichting heeft kennis van het aanbod van zorg.
3. Indien toepassing is gegeven aan artikel 68a, eerste lid, worden de taken waarmee de stichting bij de wet is belast, verricht door of onder verantwoordelijkheid van een geregistreerde jeugdprofessional. De stichting houdt bij de toedeling van taken rekening met de specifieke kennis en vaardigheden op basis waarvan de geregistreerde jeugdprofessional is ingeschreven in het kwaliteitsregister jeugd.
4. In afwijking van het derde lid, kan de stichting anderen dan geregistreerde jeugdprofessionals met de uitvoering van taken belasten indien zij aannemelijk kan maken dat de kwaliteit van de taakuitoefening daardoor niet nadelig wordt beïnvloed. Zij belast anderen met die taken indien dit noodzakelijk is voor de kwaliteit van de uitvoering van haar taken.
5. De stichting draagt er zorg voor dat geregistreerde jeugdprofessionals hun taken kunnen verrichten met inachtneming van de professionele standaarden waaraan zij door de inschrijving in het kwaliteitsregister jeugd zijn gebonden.
6. Bij regeling van Onze Ministers kunnen regels worden gesteld over de opleidings- of deskundigheidseisen van medewerkers van de stichting, van beroepskrachten werkzaam bij de stichting alsmede van de deskundigen, bedoeld in artikel 35.
a. de beoordeling en aanpak van psychosociale, psychische of gedragsproblemen, dan wel een psychiatrische aandoening van jeugdigen;
b. de beoordeling en aanpak van opvoedingssituaties die het onbedreigd opgroeien van jeugdigen kunnen belemmeren;
c. de herkenning van taal- en leerproblemen;
d. de herkenning van somatische aandoeningen;
e. de herkenning van lichamelijke of verstandelijke handicaps;
f. de beoordeling en aanpak van kindermishandeling;
g. de aanpak van jeugdige delinquenten;
h. de juridische aspecten van de haar opgedragen taken.
2. De stichting heeft kennis van het aanbod van zorg.
3. Indien toepassing is gegeven aan artikel 68a, eerste lid, worden de taken waarmee de stichting bij de wet is belast, verricht door of onder verantwoordelijkheid van een geregistreerde jeugdprofessional. De stichting houdt bij de toedeling van taken rekening met de specifieke kennis en vaardigheden op basis waarvan de geregistreerde jeugdprofessional is ingeschreven in het kwaliteitsregister jeugd.
4. In afwijking van het derde lid, kan de stichting anderen dan geregistreerde jeugdprofessionals met de uitvoering van taken belasten indien zij aannemelijk kan maken dat de kwaliteit van de taakuitoefening daardoor niet nadelig wordt beïnvloed. Zij belast anderen met die taken indien dit noodzakelijk is voor de kwaliteit van de uitvoering van haar taken.
5. De stichting draagt er zorg voor dat geregistreerde jeugdprofessionals hun taken kunnen verrichten met inachtneming van de professionele standaarden waaraan zij door de inschrijving in het kwaliteitsregister jeugd zijn gebonden.
6. Bij regeling van Onze Ministers kunnen regels worden gesteld over de opleidings- of deskundigheidseisen van medewerkers van de stichting, van beroepskrachten werkzaam bij de stichting alsmede van de deskundigen, bedoeld in artikel 35.