BWBR0017751
Geldig vanaf 2014-11-15
Artikel 57
Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg
1. De raad voor de kinderbescherming neemt een geval waarbij een maatregel met betrekking tot het gezag over de minderjarige overwogen dient te worden, slechts in onderzoek indien de stichting hem van een dergelijk geval in kennis heeft gesteld.
2. In afwijking van het eerste lid, neemt de raad voor de kinderbescherming een geval als bedoeld in het eerste lid zonder kennisgeving van de stichting in onderzoek, indien:
a. er sprake is van een acute en ernstig bedreigende situatie voor de minderjarige of
b. bij de uitvoering van enige andere wettelijke taak blijkt dat er sprake is van een geval waarbij een maatregel met betrekking tot het gezag over de minderjarige overwogen dient te worden.
3. Indien een ander dan de stichting de raad voor de kinderbescherming in kennis stelt van een geval waarbij naar diens oordeel, een maatregel met betrekking tot het gezag over de minderjarige overwogen dient te worden, zendt de raad de kennisgeving onverwijld en onder gelijktijdige mededeling daarvan aan de melder, door aan de stichting die werkzaam is in de provincie waarin de jeugdige duurzaam verblijft, tenzij de kennisgeving betrekking heeft op een geval als bedoeld in het tweede lid, onder a.
2. In afwijking van het eerste lid, neemt de raad voor de kinderbescherming een geval als bedoeld in het eerste lid zonder kennisgeving van de stichting in onderzoek, indien:
a. er sprake is van een acute en ernstig bedreigende situatie voor de minderjarige of
b. bij de uitvoering van enige andere wettelijke taak blijkt dat er sprake is van een geval waarbij een maatregel met betrekking tot het gezag over de minderjarige overwogen dient te worden.
3. Indien een ander dan de stichting de raad voor de kinderbescherming in kennis stelt van een geval waarbij naar diens oordeel, een maatregel met betrekking tot het gezag over de minderjarige overwogen dient te worden, zendt de raad de kennisgeving onverwijld en onder gelijktijdige mededeling daarvan aan de melder, door aan de stichting die werkzaam is in de provincie waarin de jeugdige duurzaam verblijft, tenzij de kennisgeving betrekking heeft op een geval als bedoeld in het tweede lid, onder a.