BWBR0009581
Geldig vanaf 1998-05-08
Artikel 3.2.5
Regeling permanente eisen
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
voor aanvang van de meting wordt de geluidsniveaumeter ingesteld op de tijdweging "F" (voorheen aangeduid met "Fast") en de frequentieweging "A", bedoeld in de in artikel 3.2.2, eerste lid, genoemde IEC publicatie;
de motor is op bedrijfstemperatuur indien deze ongeveer vijftien minuten onder normale bedrijfsomstandigheden heeft gefunctioneerd;
indien het niet mogelijk is de overbrenging te ontkoppelen, moet het aangedreven wiel vrij kunnen draaien;
aan het begin en einde van iedere serie metingen moet de geluidsniveaumeter gecalibreerd worden volgens de aanwijzingen van de fabrikant met behulp van een calibratiegeluidsbron, welke voldoet aan artikel 3.2.2, tweede en derde lid;
de afwijking tussen het geluidsdrukniveau van de calibratiegeluidsbron en de aanwijzing van de geluidsniveaumeter mag niet groter zijn dan 1 dB(A). Indien deze waarde bij de aanvangscontrole wordt overschreden moet de geluidsniveaumeter zodanig gejusteerd worden dat wel aan deze eis wordt voldaan. Als aan het einde van de serie metingen wordt geconstateerd dat deze afwijking groter is dan 1 dB(A), is de serie metingen ongeldig;
de microfoon van de geluidsniveaumeter moet in de volgende positie worden geplaatst, zoals weergegeven in figuur 2: 1°. ter hoogte van de uitlaatmonding, in ieder geval ten minste 0,20 m boven het wegdek;
2°. het membraan van de microfoon is naar de uitlaatmonding gericht en bevindt zich op een afstand van 0,50 m (waarbij een afwijking van 50 mm is toegestaan);
3°. de hoofdgevoeligheidsas van de microfoon loopt evenwijdig aan het wegdek en vormt een hoek van niet minder dan 35° en niet meer dan 55° met het loodrechte vlak waarin de emissierichting van de uitlaatgassen ligt; de microfoon is zo geplaatst dat de afstand tussen de microfoon en de motorfiets het grootst is;
4°. indien het uitlaatsysteem meerdere uitmondingen heeft, aangesloten op eenzelfde geluiddemper waarvan de middelpunten niet meer dan 0,30 m van elkaar zijn verwijderd, is de microfoon gericht op de uitmonding die zich het dichtst bij de omtrek van de motorfiets of zich het hoogst boven het wegdek bevindt. Indien de middelpunten van de uitmondingen meer dan 0,30 m van elkaar zijn verwijderd, wordt bij iedere uitmonding een afzonderlijke meting verricht, waarbij alleen de hoogst gemeten waarde wordt aangehouden;
1°. ter hoogte van de uitlaatmonding, in ieder geval ten minste 0,20 m boven het wegdek;
2°. het membraan van de microfoon is naar de uitlaatmonding gericht en bevindt zich op een afstand van 0,50 m (waarbij een afwijking van 50 mm is toegestaan);
3°. de hoofdgevoeligheidsas van de microfoon loopt evenwijdig aan het wegdek en vormt een hoek van niet minder dan 35° en niet meer dan 55° met het loodrechte vlak waarin de emissierichting van de uitlaatgassen ligt; de microfoon is zo geplaatst dat de afstand tussen de microfoon en de motorfiets het grootst is;
4°. indien het uitlaatsysteem meerdere uitmondingen heeft, aangesloten op eenzelfde geluiddemper waarvan de middelpunten niet meer dan 0,30 m van elkaar zijn verwijderd, is de microfoon gericht op de uitmonding die zich het dichtst bij de omtrek van de motorfiets of zich het hoogst boven het wegdek bevindt. Indien de middelpunten van de uitmondingen meer dan 0,30 m van elkaar zijn verwijderd, wordt bij iedere uitmonding een afzonderlijke meting verricht, waarbij alleen de hoogst gemeten waarde wordt aangehouden;
het toerental van de motor wordt op de waarde gebracht die in het kentekenregister voor de betreffende motorfiets is vermeld indien in het kentekenregister een dB(A)waarde en een toerental zijn vermeld.
Indien in het kentekenregister geen dB(A)waarde is vermeld, maar wel het toerental waarbij het maximumvermogen van de betreffende motorfiets wordt bereikt (toerental n), is vermeld, dan wordt de waarde vastgesteld op: 3/4 n, indien toerental n lager dan of gelijk is aan 5000 omwentelingen/minuut; en
½ n, indien toerental n hoger is dan 5000 omwentelingen/minuut.
3/4 n, indien toerental n lager dan of gelijk is aan 5000 omwentelingen/minuut; en
½ n, indien toerental n hoger is dan 5000 omwentelingen/minuut.
In de overige gevallen wordt de waarde vastgesteld volgens onderstaande tabel: Bouwjaar voor 1960: 2-takt: 2250 omwentelingen/minuut; 4-takt: 2000 omwentelingen/minuut. Bouwjaar vanaf 1960: 2-takt: 4500 omwentelingen/minuut; 4-takt: 4000 omwentelingen/minuut.
het toerental van de motor wordt op de waarde gebracht die in het kentekenregister voor de betreffende motorfiets is vermeld indien in het kentekenregister een dB(A)waarde en een toerental zijn vermeld.
Indien in het kentekenregister geen dB(A)waarde is vermeld, maar wel het toerental waarbij het maximumvermogen van de betreffende motorfiets wordt bereikt (toerental n), is vermeld, dan wordt de waarde vastgesteld op: 3/4 n, indien toerental n lager dan of gelijk is aan 5000 omwentelingen/minuut; en
½ n, indien toerental n hoger is dan 5000 omwentelingen/minuut.
3/4 n, indien toerental n lager dan of gelijk is aan 5000 omwentelingen/minuut; en
½ n, indien toerental n hoger is dan 5000 omwentelingen/minuut.
In de overige gevallen wordt de waarde vastgesteld volgens onderstaande tabel: Bouwjaar voor 1960: 2-takt: 2250 omwentelingen/minuut; 4-takt: 2000 omwentelingen/minuut. Bouwjaar vanaf 1960: 2-takt: 4500 omwentelingen/minuut; 4-takt: 4000 omwentelingen/minuut.
na het bereiken van de in onderdeel g vermelde waarde wordt de gashandel snel losgelaten. De tijdsduur van de meting van het geluidsniveau omvat de periode, waarin het toerental constant wordt gehouden, en de gehele duur van de vermindering van het toerental tot het stationaire toerental weer is bereikt;
er wordt per meetpunt ten minste een serie van drie metingen verricht, waarbij: 1°. de hoogste waarde die de geluidsniveaumeter heeft aangegeven, als meetwaarde per meting geldt;
2°. de meetwaarde per meting op de meest nabijgelegen hele decibel wordt afgerond;
3°. alleen meetwaarden die bij drie opeenvolgende metingen worden verkregen en onderling niet meer dan 2 dB(A) verschillen, mogen worden aangehouden;
4°. als meetresultaat de hoogste van deze drie meetwaarden geldt.
1°. de hoogste waarde die de geluidsniveaumeter heeft aangegeven, als meetwaarde per meting geldt;
2°. de meetwaarde per meting op de meest nabijgelegen hele decibel wordt afgerond;
3°. alleen meetwaarden die bij drie opeenvolgende metingen worden verkregen en onderling niet meer dan 2 dB(A) verschillen, mogen worden aangehouden;
4°. als meetresultaat de hoogste van deze drie meetwaarden geldt.
voor aanvang van de meting wordt de geluidsniveaumeter ingesteld op de tijdweging "F" (voorheen aangeduid met "Fast") en de frequentieweging "A", bedoeld in de in artikel 3.2.2, eerste lid, genoemde IEC publicatie;
de motor is op bedrijfstemperatuur indien deze ongeveer vijftien minuten onder normale bedrijfsomstandigheden heeft gefunctioneerd;
indien het niet mogelijk is de overbrenging te ontkoppelen, moet het aangedreven wiel vrij kunnen draaien;
aan het begin en einde van iedere serie metingen moet de geluidsniveaumeter gecalibreerd worden volgens de aanwijzingen van de fabrikant met behulp van een calibratiegeluidsbron, welke voldoet aan artikel 3.2.2, tweede en derde lid;
de afwijking tussen het geluidsdrukniveau van de calibratiegeluidsbron en de aanwijzing van de geluidsniveaumeter mag niet groter zijn dan 1 dB(A). Indien deze waarde bij de aanvangscontrole wordt overschreden moet de geluidsniveaumeter zodanig gejusteerd worden dat wel aan deze eis wordt voldaan. Als aan het einde van de serie metingen wordt geconstateerd dat deze afwijking groter is dan 1 dB(A), is de serie metingen ongeldig;
de microfoon van de geluidsniveaumeter moet in de volgende positie worden geplaatst, zoals weergegeven in figuur 2: 1°. ter hoogte van de uitlaatmonding, in ieder geval ten minste 0,20 m boven het wegdek;
2°. het membraan van de microfoon is naar de uitlaatmonding gericht en bevindt zich op een afstand van 0,50 m (waarbij een afwijking van 50 mm is toegestaan);
3°. de hoofdgevoeligheidsas van de microfoon loopt evenwijdig aan het wegdek en vormt een hoek van niet minder dan 35° en niet meer dan 55° met het loodrechte vlak waarin de emissierichting van de uitlaatgassen ligt; de microfoon is zo geplaatst dat de afstand tussen de microfoon en de motorfiets het grootst is;
4°. indien het uitlaatsysteem meerdere uitmondingen heeft, aangesloten op eenzelfde geluiddemper waarvan de middelpunten niet meer dan 0,30 m van elkaar zijn verwijderd, is de microfoon gericht op de uitmonding die zich het dichtst bij de omtrek van de motorfiets of zich het hoogst boven het wegdek bevindt. Indien de middelpunten van de uitmondingen meer dan 0,30 m van elkaar zijn verwijderd, wordt bij iedere uitmonding een afzonderlijke meting verricht, waarbij alleen de hoogst gemeten waarde wordt aangehouden;
1°. ter hoogte van de uitlaatmonding, in ieder geval ten minste 0,20 m boven het wegdek;
2°. het membraan van de microfoon is naar de uitlaatmonding gericht en bevindt zich op een afstand van 0,50 m (waarbij een afwijking van 50 mm is toegestaan);
3°. de hoofdgevoeligheidsas van de microfoon loopt evenwijdig aan het wegdek en vormt een hoek van niet minder dan 35° en niet meer dan 55° met het loodrechte vlak waarin de emissierichting van de uitlaatgassen ligt; de microfoon is zo geplaatst dat de afstand tussen de microfoon en de motorfiets het grootst is;
4°. indien het uitlaatsysteem meerdere uitmondingen heeft, aangesloten op eenzelfde geluiddemper waarvan de middelpunten niet meer dan 0,30 m van elkaar zijn verwijderd, is de microfoon gericht op de uitmonding die zich het dichtst bij de omtrek van de motorfiets of zich het hoogst boven het wegdek bevindt. Indien de middelpunten van de uitmondingen meer dan 0,30 m van elkaar zijn verwijderd, wordt bij iedere uitmonding een afzonderlijke meting verricht, waarbij alleen de hoogst gemeten waarde wordt aangehouden;
het toerental van de motor wordt op de waarde gebracht die in het kentekenregister voor de betreffende motorfiets is vermeld indien in het kentekenregister een dB(A)waarde en een toerental zijn vermeld.
Indien in het kentekenregister geen dB(A)waarde is vermeld, maar wel het toerental waarbij het maximumvermogen van de betreffende motorfiets wordt bereikt (toerental n), is vermeld, dan wordt de waarde vastgesteld op: 3/4 n, indien toerental n lager dan of gelijk is aan 5000 omwentelingen/minuut; en
½ n, indien toerental n hoger is dan 5000 omwentelingen/minuut.
3/4 n, indien toerental n lager dan of gelijk is aan 5000 omwentelingen/minuut; en
½ n, indien toerental n hoger is dan 5000 omwentelingen/minuut.
In de overige gevallen wordt de waarde vastgesteld volgens onderstaande tabel: Bouwjaar voor 1960: 2-takt: 2250 omwentelingen/minuut; 4-takt: 2000 omwentelingen/minuut. Bouwjaar vanaf 1960: 2-takt: 4500 omwentelingen/minuut; 4-takt: 4000 omwentelingen/minuut.
het toerental van de motor wordt op de waarde gebracht die in het kentekenregister voor de betreffende motorfiets is vermeld indien in het kentekenregister een dB(A)waarde en een toerental zijn vermeld.
Indien in het kentekenregister geen dB(A)waarde is vermeld, maar wel het toerental waarbij het maximumvermogen van de betreffende motorfiets wordt bereikt (toerental n), is vermeld, dan wordt de waarde vastgesteld op: 3/4 n, indien toerental n lager dan of gelijk is aan 5000 omwentelingen/minuut; en
½ n, indien toerental n hoger is dan 5000 omwentelingen/minuut.
3/4 n, indien toerental n lager dan of gelijk is aan 5000 omwentelingen/minuut; en
½ n, indien toerental n hoger is dan 5000 omwentelingen/minuut.
In de overige gevallen wordt de waarde vastgesteld volgens onderstaande tabel: Bouwjaar voor 1960: 2-takt: 2250 omwentelingen/minuut; 4-takt: 2000 omwentelingen/minuut. Bouwjaar vanaf 1960: 2-takt: 4500 omwentelingen/minuut; 4-takt: 4000 omwentelingen/minuut.
na het bereiken van de in onderdeel g vermelde waarde wordt de gashandel snel losgelaten. De tijdsduur van de meting van het geluidsniveau omvat de periode, waarin het toerental constant wordt gehouden, en de gehele duur van de vermindering van het toerental tot het stationaire toerental weer is bereikt;
er wordt per meetpunt ten minste een serie van drie metingen verricht, waarbij: 1°. de hoogste waarde die de geluidsniveaumeter heeft aangegeven, als meetwaarde per meting geldt;
2°. de meetwaarde per meting op de meest nabijgelegen hele decibel wordt afgerond;
3°. alleen meetwaarden die bij drie opeenvolgende metingen worden verkregen en onderling niet meer dan 2 dB(A) verschillen, mogen worden aangehouden;
4°. als meetresultaat de hoogste van deze drie meetwaarden geldt.
1°. de hoogste waarde die de geluidsniveaumeter heeft aangegeven, als meetwaarde per meting geldt;
2°. de meetwaarde per meting op de meest nabijgelegen hele decibel wordt afgerond;
3°. alleen meetwaarden die bij drie opeenvolgende metingen worden verkregen en onderling niet meer dan 2 dB(A) verschillen, mogen worden aangehouden;
4°. als meetresultaat de hoogste van deze drie meetwaarden geldt.