BWBR0009581
Geldig vanaf 1998-05-08
Artikel 2.9.25a
Regeling permanente eisen
1. De onderrand van de zijdelingse afscherming bevindt zich op niet meer dan 0,55 m boven het wegdek, en
de bovenrand reikt ten minste tot 0,35 m onder de bovenbouw of tot de hoogte van de laadvloer, dan wel reikt tot 0,95 m boven het wegdek. Indien het een voertuig betreft met een verwisselbare opbouw mag de bovenzijde lager zijn gelegen dan 0,95 m.
2. De zijdelingse afscherming kan onder meer worden gevormd door permanent aanwezige carrosseriedelen, randprofielen, wielafschermingen, accubakken, lucht- of brandstofreservoirs en gereedschapskisten, dan wel door afzonderlijk aangebrachte vormvaste delen.
3. De vormvaste delen als bedoeld in het tweede lid moeten een doorlopend vlak oppervlak hebben of zijn opgebouwd uit één of meerdere horizontaal gemonteerde profielen die onderling niet meer dan 0,30 m uit elkaar liggen en die een hoogte hebben van tenminste:
50 mm, indien het een bedrijfsauto betreft met een toegestane maximum massa van niet meer dan 12.000 kg of indien het een aanhangwagen, met uitzondering van een middenasaanhangwagen, betreft met een toegestane maximum massa van niet meer dan 10.000 kg;
0,1 m, indien het een bedrijfsauto betreft met een toegestane maximum massa van meer dan 12.000 kg of indien het een aanhangwagen, met uitzondering van een middenasaanhangwagen, betreft met een toegestane maximum massa van meer dan 10.000 kg.
4. In afwijking van het bepaalde in het derde lid mogen voertuigen met een wisselbare opbouw zijn voorzien van een zijdelingse afscherming die bestaat uit één profiel met een hoogte van ten minste:
50 mm, indien het een bedrijfsauto betreft met een toegestane maximum massa van niet meer dan 12.000 kg of indien het een aanhangwagen, met uitzondering van een middenasaanhangwagen, betreft met een toegestane maximum massa van niet meer dan 10.000 kg;
0,1 m, indien het een bedrijfsauto betreft met een toegestane maximum massa van meer dan 12.000 kg of indien het een aanhangwagen, met uitzondering van een middenasaanhangwagen, betreft met een toegestane maximum massa van meer dan 10.000 kg.
de bovenrand reikt ten minste tot 0,35 m onder de bovenbouw of tot de hoogte van de laadvloer, dan wel reikt tot 0,95 m boven het wegdek. Indien het een voertuig betreft met een verwisselbare opbouw mag de bovenzijde lager zijn gelegen dan 0,95 m.
2. De zijdelingse afscherming kan onder meer worden gevormd door permanent aanwezige carrosseriedelen, randprofielen, wielafschermingen, accubakken, lucht- of brandstofreservoirs en gereedschapskisten, dan wel door afzonderlijk aangebrachte vormvaste delen.
3. De vormvaste delen als bedoeld in het tweede lid moeten een doorlopend vlak oppervlak hebben of zijn opgebouwd uit één of meerdere horizontaal gemonteerde profielen die onderling niet meer dan 0,30 m uit elkaar liggen en die een hoogte hebben van tenminste:
50 mm, indien het een bedrijfsauto betreft met een toegestane maximum massa van niet meer dan 12.000 kg of indien het een aanhangwagen, met uitzondering van een middenasaanhangwagen, betreft met een toegestane maximum massa van niet meer dan 10.000 kg;
0,1 m, indien het een bedrijfsauto betreft met een toegestane maximum massa van meer dan 12.000 kg of indien het een aanhangwagen, met uitzondering van een middenasaanhangwagen, betreft met een toegestane maximum massa van meer dan 10.000 kg.
4. In afwijking van het bepaalde in het derde lid mogen voertuigen met een wisselbare opbouw zijn voorzien van een zijdelingse afscherming die bestaat uit één profiel met een hoogte van ten minste:
50 mm, indien het een bedrijfsauto betreft met een toegestane maximum massa van niet meer dan 12.000 kg of indien het een aanhangwagen, met uitzondering van een middenasaanhangwagen, betreft met een toegestane maximum massa van niet meer dan 10.000 kg;
0,1 m, indien het een bedrijfsauto betreft met een toegestane maximum massa van meer dan 12.000 kg of indien het een aanhangwagen, met uitzondering van een middenasaanhangwagen, betreft met een toegestane maximum massa van meer dan 10.000 kg.