BWBR0009581
Geldig vanaf 1998-05-08
Artikel 2.9.24
Regeling permanente eisen
1. Aan weerszijden van het voertuig moeten de volgende gebieden zijn beveiligd: 1°. het verticale dwarsvlak dat bij een bedrijfsauto op 0,30 m achter de cabine begint, zoals weergegeven in figuur 26, of in het geval van een bestuurd of gestuurd wiel op niet meer dan 0,50 m achter dit wiel, en het verticale dwarsvlak dat op 0,30 m vóór het voorste achterwiel, of in het geval van een bestuurd of gestuurd wiel, op 0,50 m vóór dit wiel eindigt;
2°. het verticale dwarsvlak dat bij een middenasaanhangwagen op 2,50 m achter de hart-koppeling begint: indien binnen deze maat de bovenbouw nog niet is bereikt, begint het dwarsvlak aan de voorzijde van de bovenbouw, zoals weergegeven in figuur 27, en het verticale dwarsvlak dat op 0,30 m vóór het voorste achterwiel, of in het geval van een bestuurd of gestuurd wiel, op 0,50 m vóór dit wiel eindigt;
3°. het verticale dwarsvlak dat bij een aanhangwagen, niet zijnde een een oplegger of middenasaanhangwagen, op 0,30 m achter het achterste voorwiel begint, of in het geval van een bestuurd of gestuurd wiel op niet meer dan 0,50 m achter dit wiel, en het verticale dwarsvlak dat op 0,30 m vóór het voorste achterwiel, of in het geval van een bestuurd of gestuurd wiel, op 0,50 m vóór dit wiel eindigt;
4°. het verticale dwarsvlak dat bij een oplegger op ten hoogste 0,25 m achter het hart van de opleggersteunen begint met een maximum van 2,75 m achter het hart van de koppelingspen, zoals weergegeven in figuur 28, en het verticale dwarsvlak dat op 0,30 m voor het voorste achterwiel eindigt of in het geval van een bestuurd of gestuurd wiel op 0,50 m vóór dit wiel;
1°. het verticale dwarsvlak dat bij een bedrijfsauto op 0,30 m achter de cabine begint, zoals weergegeven in figuur 26, of in het geval van een bestuurd of gestuurd wiel op niet meer dan 0,50 m achter dit wiel, en het verticale dwarsvlak dat op 0,30 m vóór het voorste achterwiel, of in het geval van een bestuurd of gestuurd wiel, op 0,50 m vóór dit wiel eindigt;
2°. het verticale dwarsvlak dat bij een middenasaanhangwagen op 2,50 m achter de hart-koppeling begint: indien binnen deze maat de bovenbouw nog niet is bereikt, begint het dwarsvlak aan de voorzijde van de bovenbouw, zoals weergegeven in figuur 27, en het verticale dwarsvlak dat op 0,30 m vóór het voorste achterwiel, of in het geval van een bestuurd of gestuurd wiel, op 0,50 m vóór dit wiel eindigt;
3°. het verticale dwarsvlak dat bij een aanhangwagen, niet zijnde een een oplegger of middenasaanhangwagen, op 0,30 m achter het achterste voorwiel begint, of in het geval van een bestuurd of gestuurd wiel op niet meer dan 0,50 m achter dit wiel, en het verticale dwarsvlak dat op 0,30 m vóór het voorste achterwiel, of in het geval van een bestuurd of gestuurd wiel, op 0,50 m vóór dit wiel eindigt;
4°. het verticale dwarsvlak dat bij een oplegger op ten hoogste 0,25 m achter het hart van de opleggersteunen begint met een maximum van 2,75 m achter het hart van de koppelingspen, zoals weergegeven in figuur 28, en het verticale dwarsvlak dat op 0,30 m voor het voorste achterwiel eindigt of in het geval van een bestuurd of gestuurd wiel op 0,50 m vóór dit wiel;
indien het voertuig is voorzien van een samenstel van assen, het gebied gelegen tussen het verticale dwarsvlak dat raakt aan de achterzijde van het wiel en het vertikale dwarsvlak dat raakt aan de voorzijde van het daarop volgende wiel en indien de afstand tussen beide verticale dwarsvlakken meer bedraagt dan 0,50 m, zoals weergegeven in figuur 29;
het gebied gelegen tussen het verticale dwarsvlak dat begint op 0,30 m achter het achterste achterwiel van het voertuig, of in het geval van een bestuurd of gestuurd wiel op 0,50 m achter dit wiel en in het verticale dwarsvlak dat eindigt aan de achterzijde van het voertuig, zoals weergegeven in figuur 30.
2. Het bepaalde in het eerste lid, onderdeel c, geldt niet voor bedrijfsauto's en aanhangwagens met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg.
2°. het verticale dwarsvlak dat bij een middenasaanhangwagen op 2,50 m achter de hart-koppeling begint: indien binnen deze maat de bovenbouw nog niet is bereikt, begint het dwarsvlak aan de voorzijde van de bovenbouw, zoals weergegeven in figuur 27, en het verticale dwarsvlak dat op 0,30 m vóór het voorste achterwiel, of in het geval van een bestuurd of gestuurd wiel, op 0,50 m vóór dit wiel eindigt;
3°. het verticale dwarsvlak dat bij een aanhangwagen, niet zijnde een een oplegger of middenasaanhangwagen, op 0,30 m achter het achterste voorwiel begint, of in het geval van een bestuurd of gestuurd wiel op niet meer dan 0,50 m achter dit wiel, en het verticale dwarsvlak dat op 0,30 m vóór het voorste achterwiel, of in het geval van een bestuurd of gestuurd wiel, op 0,50 m vóór dit wiel eindigt;
4°. het verticale dwarsvlak dat bij een oplegger op ten hoogste 0,25 m achter het hart van de opleggersteunen begint met een maximum van 2,75 m achter het hart van de koppelingspen, zoals weergegeven in figuur 28, en het verticale dwarsvlak dat op 0,30 m voor het voorste achterwiel eindigt of in het geval van een bestuurd of gestuurd wiel op 0,50 m vóór dit wiel;
1°. het verticale dwarsvlak dat bij een bedrijfsauto op 0,30 m achter de cabine begint, zoals weergegeven in figuur 26, of in het geval van een bestuurd of gestuurd wiel op niet meer dan 0,50 m achter dit wiel, en het verticale dwarsvlak dat op 0,30 m vóór het voorste achterwiel, of in het geval van een bestuurd of gestuurd wiel, op 0,50 m vóór dit wiel eindigt;
2°. het verticale dwarsvlak dat bij een middenasaanhangwagen op 2,50 m achter de hart-koppeling begint: indien binnen deze maat de bovenbouw nog niet is bereikt, begint het dwarsvlak aan de voorzijde van de bovenbouw, zoals weergegeven in figuur 27, en het verticale dwarsvlak dat op 0,30 m vóór het voorste achterwiel, of in het geval van een bestuurd of gestuurd wiel, op 0,50 m vóór dit wiel eindigt;
3°. het verticale dwarsvlak dat bij een aanhangwagen, niet zijnde een een oplegger of middenasaanhangwagen, op 0,30 m achter het achterste voorwiel begint, of in het geval van een bestuurd of gestuurd wiel op niet meer dan 0,50 m achter dit wiel, en het verticale dwarsvlak dat op 0,30 m vóór het voorste achterwiel, of in het geval van een bestuurd of gestuurd wiel, op 0,50 m vóór dit wiel eindigt;
4°. het verticale dwarsvlak dat bij een oplegger op ten hoogste 0,25 m achter het hart van de opleggersteunen begint met een maximum van 2,75 m achter het hart van de koppelingspen, zoals weergegeven in figuur 28, en het verticale dwarsvlak dat op 0,30 m voor het voorste achterwiel eindigt of in het geval van een bestuurd of gestuurd wiel op 0,50 m vóór dit wiel;
indien het voertuig is voorzien van een samenstel van assen, het gebied gelegen tussen het verticale dwarsvlak dat raakt aan de achterzijde van het wiel en het vertikale dwarsvlak dat raakt aan de voorzijde van het daarop volgende wiel en indien de afstand tussen beide verticale dwarsvlakken meer bedraagt dan 0,50 m, zoals weergegeven in figuur 29;
het gebied gelegen tussen het verticale dwarsvlak dat begint op 0,30 m achter het achterste achterwiel van het voertuig, of in het geval van een bestuurd of gestuurd wiel op 0,50 m achter dit wiel en in het verticale dwarsvlak dat eindigt aan de achterzijde van het voertuig, zoals weergegeven in figuur 30.
2. Het bepaalde in het eerste lid, onderdeel c, geldt niet voor bedrijfsauto's en aanhangwagens met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg.