BWBR0009581
Geldig vanaf 1998-05-08
Artikel 2.8.11
Regeling permanente eisen
Bij gebruik van een mechanische zelfregistrerende remvertragingsmeter moet de bij de remproef behaalde remvertraging met behulp van de daarbij vervaardigde kaart als volgt worden vastgesteld:
het hoogste punt van de remvertragingskromme wordt gemarkeerd waarbij de eventueel aanwezige hobbel aan het eind van de kromme buiten beschouwing wordt gelaten;
vanuit het punt genoemd in onderdeel a wordt een loodlijn op de pedaalkrachtlijn neergelaten;
de pedaalkrachtlijn wordt naar links gevolgd tot waar deze lijn een knik vertoont;
vanuit het punt genoemd in onderdeel c wordt een loodlijn getrokken naar de remvertragingskromme;
het snijpunt van de loodlijn en de remvertragingskromme genoemd in onderdeel d wordt gemarkeerd;
de remvertraging wordt bepaald door het gemiddelde te nemen van de onder a en e bepaalde remvertragingen.
het hoogste punt van de remvertragingskromme wordt gemarkeerd waarbij de eventueel aanwezige hobbel aan het eind van de kromme buiten beschouwing wordt gelaten;
vanuit het punt genoemd in onderdeel a wordt een loodlijn op de pedaalkrachtlijn neergelaten;
de pedaalkrachtlijn wordt naar links gevolgd tot waar deze lijn een knik vertoont;
vanuit het punt genoemd in onderdeel c wordt een loodlijn getrokken naar de remvertragingskromme;
het snijpunt van de loodlijn en de remvertragingskromme genoemd in onderdeel d wordt gemarkeerd;
de remvertraging wordt bepaald door het gemiddelde te nemen van de onder a en e bepaalde remvertragingen.