BWBR0009581
Geldig vanaf 1998-05-08
Artikel 2.8.58
Regeling permanente eisen
1. Indien gebruik wordt gemaakt van een rollenremtestbank, moet:
voor de voorste as en de achterste as of het achterste asstel de pedaalkracht worden bepaald even voor het moment van blokkeren van één of meer wielen;
de laagst vastgestelde pedaalkracht worden gebruikt om de remkrachten te bepalen die optreden bij deze pedaalkracht op de voorste as en op de achterste as of het achterste asstel;
de door de achterste as of het achterste asstel opgebrachte remkracht lager zijn dan het volgende percentage: 1°. 30% indien de motor zich voorin bevindt en voorwielaandrijving aanwezig is;
2°. 40% indien de motor zich voorin bevindt en achterwielaandrijving aanwezig is;
3°. 50% indien de motor zich achterin bevindt en achterwielaandrijving aanwezig is.
1°. 30% indien de motor zich voorin bevindt en voorwielaandrijving aanwezig is;
2°. 40% indien de motor zich voorin bevindt en achterwielaandrijving aanwezig is;
3°. 50% indien de motor zich achterin bevindt en achterwielaandrijving aanwezig is.
2. Een remproef op de weg vindt als nader onderzoek plaats, indien uit de berekening met de bij de remtest verkregen waarden blijkt dat het percentage van de remkracht die wordt opgebracht door de achterste as beneden de aangegeven waarde zoals vermeld in het eerste lid, onderdeel c, ligt; het gebruik van een remvertragingsmeter is niet noodzakelijk.
3. Bij een personenauto of een bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, waarvan de motor en de aandrijving niet onder onderdeel c, van het eerste lid, vallen, wordt eveneens een remproef op de weg gehouden, zoals bepaald in paragraaf 1van deze afdeling, echter zonder gebruik te maken van een remvertragingsmeter.
voor de voorste as en de achterste as of het achterste asstel de pedaalkracht worden bepaald even voor het moment van blokkeren van één of meer wielen;
de laagst vastgestelde pedaalkracht worden gebruikt om de remkrachten te bepalen die optreden bij deze pedaalkracht op de voorste as en op de achterste as of het achterste asstel;
de door de achterste as of het achterste asstel opgebrachte remkracht lager zijn dan het volgende percentage: 1°. 30% indien de motor zich voorin bevindt en voorwielaandrijving aanwezig is;
2°. 40% indien de motor zich voorin bevindt en achterwielaandrijving aanwezig is;
3°. 50% indien de motor zich achterin bevindt en achterwielaandrijving aanwezig is.
1°. 30% indien de motor zich voorin bevindt en voorwielaandrijving aanwezig is;
2°. 40% indien de motor zich voorin bevindt en achterwielaandrijving aanwezig is;
3°. 50% indien de motor zich achterin bevindt en achterwielaandrijving aanwezig is.
2. Een remproef op de weg vindt als nader onderzoek plaats, indien uit de berekening met de bij de remtest verkregen waarden blijkt dat het percentage van de remkracht die wordt opgebracht door de achterste as beneden de aangegeven waarde zoals vermeld in het eerste lid, onderdeel c, ligt; het gebruik van een remvertragingsmeter is niet noodzakelijk.
3. Bij een personenauto of een bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, waarvan de motor en de aandrijving niet onder onderdeel c, van het eerste lid, vallen, wordt eveneens een remproef op de weg gehouden, zoals bepaald in paragraaf 1van deze afdeling, echter zonder gebruik te maken van een remvertragingsmeter.