BWBR0009581
Geldig vanaf 1998-05-08
Artikel 2.10.6
Regeling permanente eisen
Niet-driehoekige ambergele retroreflectoren moeten op de volgende wijze zijn geplaatst:
indien het voertuig langer is dan 6,00 m moet ten minste één retroreflector zich in het middelste derde gedeelte van het voertuig bevinden;
de onderlinge afstand tussen de retroreflectoren mag niet meer dan 3,00 m bedragen, tenzij dat in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, in welk geval deze afstand meer dan 3,00 m doch niet meer dan 4,00 m mag bedragen;
de afstand van de meest naar voren gelegen retroreflector tot de uiterste voorzijde van het voertuig mag niet meer dan 3,00 m bedragen, tenzij dat in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, in welk geval deze afstand meer dan 3,00 m doch niet meer dan 4,00 m mag bedragen.
de afstand van de meest naar achteren gelegen retroreflector tot de uiterste achterzijde van het voertuig mag niet meer dan 1,00 m bedragen.
indien het voertuig langer is dan 6,00 m moet ten minste één retroreflector zich in het middelste derde gedeelte van het voertuig bevinden;
de onderlinge afstand tussen de retroreflectoren mag niet meer dan 3,00 m bedragen, tenzij dat in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, in welk geval deze afstand meer dan 3,00 m doch niet meer dan 4,00 m mag bedragen;
de afstand van de meest naar voren gelegen retroreflector tot de uiterste voorzijde van het voertuig mag niet meer dan 3,00 m bedragen, tenzij dat in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, in welk geval deze afstand meer dan 3,00 m doch niet meer dan 4,00 m mag bedragen.
de afstand van de meest naar achteren gelegen retroreflector tot de uiterste achterzijde van het voertuig mag niet meer dan 1,00 m bedragen.