BWBR0009581
Geldig vanaf 1998-05-08
Artikel 2.3.10
Regeling permanente eisen
1. De goede werking van het emissiebestrijdingssysteem van de in artikel 2.3.9bedoelde motorrijtuigen wordt gecontroleerd door meting van de lambdawaarde en het koolmonoxidegehalte van de uitlaatgassen bij verhoogd toerental en door meting van het koolmonoxidegehalte bij stationair draaiende motor.
2. Indien de in artikel 2.3.9bedoelde motorrijtuigen zijn voorzien van een LPG-installatie moet de in het eerste lid bedoelde meting bij verhoogd toerental worden uitgevoerd indien:
a) het een personenauto betreft die in gebruik is genomen na 31 december 1997;
b) het een personenauto betreft die in gebruik is genomen na 31 december 1992 doch vóór 1 januari 1998 waarvan op het kentekenbewijs de vermelding "G3" is vermeld; of
c) het een bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg betreft die in gebruik is genomen na 31 december 1997.
3. Vóór elke meting wordt gecontroleerd of de motor en het emissiebestrijdingssysteem op bedrijfstemperatuur zijn. Hieraan wordt voldaan indien de motor gedurende 3 minuten op een toerental van ongeveer 3000 omw/min heeft gedraaid en:
een proefrit heeft plaatsgevonden, of
de motorolietemperatuur minimaal 80°C bedraagt.
De motorolietemperatuur moet worden gecontroleerd met behulp van een olietemperatuurmeter die is voorzien van een geldig certificaat van eerste keuring dan wel van herkeuring.
4. De uitlaatgassen van de in artikel 2.3.9bedoelde motorrijtuigen mogen bij een verhoogd toerental gelegen tussen de 2500 omw/min en 3200 omw/min:
a. niet meer dan 0,3 vol % koolmonoxide bevatten indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 juli 2002, waarbij de lambdawaarde moet liggen tussen 0.97 en 1.03;
b. niet meer dan 0,2% koolmonoxide bevatten indien het voertuig in gebruik is genomen na 30 juni 2002, waarbij de lambdawaarde moet liggen tussen 0.97 en 1.03.
5. Indien binnen het toerentalbereik zoals vermeld in het vierde lid de betrokken waarden niet worden bereikt, moet de meting worden herhaald bij een verhoogd toerental vanaf 2000 omw/min tot 3200 omw/min waarbij de controle op het koolmonoxidegehalte en de lambdawaarde bij elke stap van ongeveer 100 omw/min moet worden uitgevoerd totdat de betrokken waarden zijn bereikt. Hierbij mogen alle elektrische stroomverbruikers zijn ingeschakeld.
6. In afwijking van het vierde en het vijfde lid mogen voor de door de Directeur van de Dienst Wegverkeer aangewezen typen motorrijtuigen of motorrijtuigen die zijn voorzien van een bepaalde LPG-installatie, de bijbehorende door de Directeur vastgestelde waarden en condities worden gehanteerd. De per type motorrijtuig in de lijst met voertuigspecifieke gegevens aangegeven maximale koolmonoxidegehaltes (CO %) en lambdawaarden zijn niet van toepassing op motorrijtuigen voorzien van een LPG-installatie.
7. De uitlaatgassen van de in artikel 2.3.9bedoelde motorrijtuigen mogen, waarbij de meting zich tot één uitmonding beperkt indien het uitlaatsysteem meer dan één uitmonding heeft, bij een stationair toerental:
a. niet meer dan 0,5% vol koolmonoxide bevatten indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 juli 2002;
b. niet meer dan 0,3% vol koolmonoxide bevatten indien het voertuig in gebruik is genomen na 30 juni 2002; of
c. niet meer koolmonoxide bevatten dan vermeld op het op het voertuig aangebrachte symbool, bedoeld in de artikelen 5.2.11, achtste lid, en artikel 5.3.11, zevende lid, van het Voertuigreglement.
8. Bij het vaststellen van de lambdawaarde mag het derde cijfer achter de komma buiten beschouwing worden gelaten. Bij het vaststellen van het koolmonoxidegehalte bij verhoogd toerental mag het tweede cijfer achter de komma buiten beschouwing worden gelaten.
9. De in het eerste lid bedoelde meting blijft achterwege indien het personenauto's of bedrijfsauto's betreft die zijn voorzien van een rotatiemotor of een CNG-installatie.
2. Indien de in artikel 2.3.9bedoelde motorrijtuigen zijn voorzien van een LPG-installatie moet de in het eerste lid bedoelde meting bij verhoogd toerental worden uitgevoerd indien:
a) het een personenauto betreft die in gebruik is genomen na 31 december 1997;
b) het een personenauto betreft die in gebruik is genomen na 31 december 1992 doch vóór 1 januari 1998 waarvan op het kentekenbewijs de vermelding "G3" is vermeld; of
c) het een bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg betreft die in gebruik is genomen na 31 december 1997.
3. Vóór elke meting wordt gecontroleerd of de motor en het emissiebestrijdingssysteem op bedrijfstemperatuur zijn. Hieraan wordt voldaan indien de motor gedurende 3 minuten op een toerental van ongeveer 3000 omw/min heeft gedraaid en:
een proefrit heeft plaatsgevonden, of
de motorolietemperatuur minimaal 80°C bedraagt.
De motorolietemperatuur moet worden gecontroleerd met behulp van een olietemperatuurmeter die is voorzien van een geldig certificaat van eerste keuring dan wel van herkeuring.
4. De uitlaatgassen van de in artikel 2.3.9bedoelde motorrijtuigen mogen bij een verhoogd toerental gelegen tussen de 2500 omw/min en 3200 omw/min:
a. niet meer dan 0,3 vol % koolmonoxide bevatten indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 juli 2002, waarbij de lambdawaarde moet liggen tussen 0.97 en 1.03;
b. niet meer dan 0,2% koolmonoxide bevatten indien het voertuig in gebruik is genomen na 30 juni 2002, waarbij de lambdawaarde moet liggen tussen 0.97 en 1.03.
5. Indien binnen het toerentalbereik zoals vermeld in het vierde lid de betrokken waarden niet worden bereikt, moet de meting worden herhaald bij een verhoogd toerental vanaf 2000 omw/min tot 3200 omw/min waarbij de controle op het koolmonoxidegehalte en de lambdawaarde bij elke stap van ongeveer 100 omw/min moet worden uitgevoerd totdat de betrokken waarden zijn bereikt. Hierbij mogen alle elektrische stroomverbruikers zijn ingeschakeld.
6. In afwijking van het vierde en het vijfde lid mogen voor de door de Directeur van de Dienst Wegverkeer aangewezen typen motorrijtuigen of motorrijtuigen die zijn voorzien van een bepaalde LPG-installatie, de bijbehorende door de Directeur vastgestelde waarden en condities worden gehanteerd. De per type motorrijtuig in de lijst met voertuigspecifieke gegevens aangegeven maximale koolmonoxidegehaltes (CO %) en lambdawaarden zijn niet van toepassing op motorrijtuigen voorzien van een LPG-installatie.
7. De uitlaatgassen van de in artikel 2.3.9bedoelde motorrijtuigen mogen, waarbij de meting zich tot één uitmonding beperkt indien het uitlaatsysteem meer dan één uitmonding heeft, bij een stationair toerental:
a. niet meer dan 0,5% vol koolmonoxide bevatten indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 juli 2002;
b. niet meer dan 0,3% vol koolmonoxide bevatten indien het voertuig in gebruik is genomen na 30 juni 2002; of
c. niet meer koolmonoxide bevatten dan vermeld op het op het voertuig aangebrachte symbool, bedoeld in de artikelen 5.2.11, achtste lid, en artikel 5.3.11, zevende lid, van het Voertuigreglement.
8. Bij het vaststellen van de lambdawaarde mag het derde cijfer achter de komma buiten beschouwing worden gelaten. Bij het vaststellen van het koolmonoxidegehalte bij verhoogd toerental mag het tweede cijfer achter de komma buiten beschouwing worden gelaten.
9. De in het eerste lid bedoelde meting blijft achterwege indien het personenauto's of bedrijfsauto's betreft die zijn voorzien van een rotatiemotor of een CNG-installatie.