BWBR0009581
Geldig vanaf 1998-05-08
Artikel 2.9.25
Regeling permanente eisen
1. Bedrijfsauto's voorzien van niet meer dan drie assen en aanhangwagens, in gebruik genomen na 31 december 1997, met uitzondering van middenasaanhangwagens, zijn binnen de in artikel 2.9.24 eerste lid, onderdeel a, onder 1, 3 en 4, genoemde gebieden aan beide zijden voorzien van een zijdelingse afscherming, overeenkomstig artikel 2.9.25a.
Bedrijfsauto's voorzien van niet meer dan drie assen en aanhangwagens, in gebruik genomen na 31 december 1997, zijn binnen de in artikel 2.9.24, eerste lid, onderdeel a, onder 2 en de onderdelen b en c genoemde gebieden aan beide zijden voorzien van een zijdelingse afscherming, overeenkomstig artikel 2.9.25b.
2. Bedrijfsauto's voorzien van meer dan drie assen, in gebruik genomen na 31 mei 1997, zijn binnen de in artikel 2.9.24, eerste lid,
onderdeel a, onder 1, en onderdeel b genoemde gebieden, aan beide zijden voorzien van een zijdelingse afscherming, overeenkomstig: 1°. artikel 2.9.25a, indien de afstand tussen het verticale dwarsvlak dat raakt aan de achterzijde van een wiel en het verticale dwarsvlak dat raakt aan de voorzijde van het daarop volgende wiel meer bedraagt dan: A. 0,75 m tussen starre assen;
B. 0,85 m tussen een starre as en een gestuurde of bestuurde as;
C. 1 m tussen twee gestuurde of bestuurde assen;
A. 0,75 m tussen starre assen;
B. 0,85 m tussen een starre as en een gestuurde of bestuurde as;
C. 1 m tussen twee gestuurde of bestuurde assen;
2°. artikel 2.9.25b, indien de afstand tussen het verticale dwarsvlak dat raakt aan de achterzijde van een wiel en het verticale dwarsvlak dat raakt aan de voorzijde van het daarop volgende wiel meer bedraagt dan 0,50 m doch niet meer dan: 0,75 m tussen starre assen;
0,85 m tussen een starre as en een gestuurde of bestuurde as;
1,00 m. tussen twee gestuurde of bestuurde assen.
0,75 m tussen starre assen;
0,85 m tussen een starre as en een gestuurde of bestuurde as;
1,00 m. tussen twee gestuurde of bestuurde assen.
1°. artikel 2.9.25a, indien de afstand tussen het verticale dwarsvlak dat raakt aan de achterzijde van een wiel en het verticale dwarsvlak dat raakt aan de voorzijde van het daarop volgende wiel meer bedraagt dan: A. 0,75 m tussen starre assen;
B. 0,85 m tussen een starre as en een gestuurde of bestuurde as;
C. 1 m tussen twee gestuurde of bestuurde assen;
A. 0,75 m tussen starre assen;
B. 0,85 m tussen een starre as en een gestuurde of bestuurde as;
C. 1 m tussen twee gestuurde of bestuurde assen;
2°. artikel 2.9.25b, indien de afstand tussen het verticale dwarsvlak dat raakt aan de achterzijde van een wiel en het verticale dwarsvlak dat raakt aan de voorzijde van het daarop volgende wiel meer bedraagt dan 0,50 m doch niet meer dan: 0,75 m tussen starre assen;
0,85 m tussen een starre as en een gestuurde of bestuurde as;
1,00 m. tussen twee gestuurde of bestuurde assen.
0,75 m tussen starre assen;
0,85 m tussen een starre as en een gestuurde of bestuurde as;
1,00 m. tussen twee gestuurde of bestuurde assen.
onderdeel c genoemde gebieden, aan beide zijden voorzien van een zijdelingse afscherming, overeenkomstig artikel 2.9.25b.
Bedrijfsauto's voorzien van niet meer dan drie assen en aanhangwagens, in gebruik genomen na 31 december 1997, zijn binnen de in artikel 2.9.24, eerste lid, onderdeel a, onder 2 en de onderdelen b en c genoemde gebieden aan beide zijden voorzien van een zijdelingse afscherming, overeenkomstig artikel 2.9.25b.
2. Bedrijfsauto's voorzien van meer dan drie assen, in gebruik genomen na 31 mei 1997, zijn binnen de in artikel 2.9.24, eerste lid,
onderdeel a, onder 1, en onderdeel b genoemde gebieden, aan beide zijden voorzien van een zijdelingse afscherming, overeenkomstig: 1°. artikel 2.9.25a, indien de afstand tussen het verticale dwarsvlak dat raakt aan de achterzijde van een wiel en het verticale dwarsvlak dat raakt aan de voorzijde van het daarop volgende wiel meer bedraagt dan: A. 0,75 m tussen starre assen;
B. 0,85 m tussen een starre as en een gestuurde of bestuurde as;
C. 1 m tussen twee gestuurde of bestuurde assen;
A. 0,75 m tussen starre assen;
B. 0,85 m tussen een starre as en een gestuurde of bestuurde as;
C. 1 m tussen twee gestuurde of bestuurde assen;
2°. artikel 2.9.25b, indien de afstand tussen het verticale dwarsvlak dat raakt aan de achterzijde van een wiel en het verticale dwarsvlak dat raakt aan de voorzijde van het daarop volgende wiel meer bedraagt dan 0,50 m doch niet meer dan: 0,75 m tussen starre assen;
0,85 m tussen een starre as en een gestuurde of bestuurde as;
1,00 m. tussen twee gestuurde of bestuurde assen.
0,75 m tussen starre assen;
0,85 m tussen een starre as en een gestuurde of bestuurde as;
1,00 m. tussen twee gestuurde of bestuurde assen.
1°. artikel 2.9.25a, indien de afstand tussen het verticale dwarsvlak dat raakt aan de achterzijde van een wiel en het verticale dwarsvlak dat raakt aan de voorzijde van het daarop volgende wiel meer bedraagt dan: A. 0,75 m tussen starre assen;
B. 0,85 m tussen een starre as en een gestuurde of bestuurde as;
C. 1 m tussen twee gestuurde of bestuurde assen;
A. 0,75 m tussen starre assen;
B. 0,85 m tussen een starre as en een gestuurde of bestuurde as;
C. 1 m tussen twee gestuurde of bestuurde assen;
2°. artikel 2.9.25b, indien de afstand tussen het verticale dwarsvlak dat raakt aan de achterzijde van een wiel en het verticale dwarsvlak dat raakt aan de voorzijde van het daarop volgende wiel meer bedraagt dan 0,50 m doch niet meer dan: 0,75 m tussen starre assen;
0,85 m tussen een starre as en een gestuurde of bestuurde as;
1,00 m. tussen twee gestuurde of bestuurde assen.
0,75 m tussen starre assen;
0,85 m tussen een starre as en een gestuurde of bestuurde as;
1,00 m. tussen twee gestuurde of bestuurde assen.
onderdeel c genoemde gebieden, aan beide zijden voorzien van een zijdelingse afscherming, overeenkomstig artikel 2.9.25b.