BWBR0009581
Geldig vanaf 1998-05-08
Artikel 2.3.12
Regeling permanente eisen
1. In de roetmeter moeten voor het desbetreffende type motorrijtuig de volgende waarden, zoals bedoeld in artikel 2.3.11, worden ingevoerd:
a. de maximumabsorptiecoëfficiënt,
b. het minimale en maximale stationaire toerental,
c. het minimum- en maximumafregeltoerental, en
d. de minimummotorolietemperatuur.
Tevens moet de soort meetsonde, die in de handleiding van de roetmeter wordt voorgeschreven, worden ingevoerd.
2. Nadat de gegevens, genoemd in het eerste lid, zijn ingevoerd, wordt met de daadwerkelijke meting begonnen, waarbij:
a. de door de roetmeter aangegeven meetprocedure moet worden gevolgd. De meetprocedure mag worden afgebroken indien de roetmeter aangeeft dat de absorptiecoëfficiënt van de eerste of tweede meting kleiner of gelijk is dan de maximale absorptiecoëfficiënt minus 0,5 m-1, en
b. moet worden voldaan aan het derde tot en met vijfde lid.
3. Bij elke meting moet het gaspedaal snel en zonder onderbreking binnen één seconde tot aan de aanslag worden ingedrukt.
4. Indien de personenauto of bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg is uitgerust met een volautomatische versnellingsbak:
a. wordt de motorolie op temperatuur gebracht door het stationair draaien van de motor, of door middel van een rit, en
b. vinden per test niet meer dan zes metingen plaats.
5. Indien door de roetmeter wordt aangegeven dat de motorolietemperatuur te laag is, mag de meting worden uitgevoerd met uitgeschakelde beveiliging. Indien de temperatuuropnemer niet in de motor is ingebracht omdat duidelijk is dat de motorolie op de vereiste temperatuur is, mag de meting eveneens met uitgeschakelde beveiliging worden uitgevoerd.
6. Indien de absorptiëcoëfficiënt aan de hand van de roetmeetstrook moet worden bepaald omdat de absorptiecoëfficiënt van de eerste of tweede meting niet kleiner of gelijk is dan de maximale absortiecoëfficiënt minus 0,5 -1, mogen de verschillen van de afregeltoerentallen van de metingen waarmee de gemiddelde absorptiecoëfficiënt wordt bepaald niet meer dan 10% bedragen van het hoogste afregeltoerental.
a. de maximumabsorptiecoëfficiënt,
b. het minimale en maximale stationaire toerental,
c. het minimum- en maximumafregeltoerental, en
d. de minimummotorolietemperatuur.
Tevens moet de soort meetsonde, die in de handleiding van de roetmeter wordt voorgeschreven, worden ingevoerd.
2. Nadat de gegevens, genoemd in het eerste lid, zijn ingevoerd, wordt met de daadwerkelijke meting begonnen, waarbij:
a. de door de roetmeter aangegeven meetprocedure moet worden gevolgd. De meetprocedure mag worden afgebroken indien de roetmeter aangeeft dat de absorptiecoëfficiënt van de eerste of tweede meting kleiner of gelijk is dan de maximale absorptiecoëfficiënt minus 0,5 m-1, en
b. moet worden voldaan aan het derde tot en met vijfde lid.
3. Bij elke meting moet het gaspedaal snel en zonder onderbreking binnen één seconde tot aan de aanslag worden ingedrukt.
4. Indien de personenauto of bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg is uitgerust met een volautomatische versnellingsbak:
a. wordt de motorolie op temperatuur gebracht door het stationair draaien van de motor, of door middel van een rit, en
b. vinden per test niet meer dan zes metingen plaats.
5. Indien door de roetmeter wordt aangegeven dat de motorolietemperatuur te laag is, mag de meting worden uitgevoerd met uitgeschakelde beveiliging. Indien de temperatuuropnemer niet in de motor is ingebracht omdat duidelijk is dat de motorolie op de vereiste temperatuur is, mag de meting eveneens met uitgeschakelde beveiliging worden uitgevoerd.
6. Indien de absorptiëcoëfficiënt aan de hand van de roetmeetstrook moet worden bepaald omdat de absorptiecoëfficiënt van de eerste of tweede meting niet kleiner of gelijk is dan de maximale absortiecoëfficiënt minus 0,5 -1, mogen de verschillen van de afregeltoerentallen van de metingen waarmee de gemiddelde absorptiecoëfficiënt wordt bepaald niet meer dan 10% bedragen van het hoogste afregeltoerental.